1 Kronieken 26:5

Statenvertaling (States Bible)

Ammiel de zesde, Issaschar de zevende, Peullethai de achtste; want God had hem gezegend.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 128:1 : 1 Een lied Hammaaloth. Welgelukzalig is een iegelijk, die den HEERE vreest, die in Zijn wegen wandelt.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 78%

    2Meselemja nu had kinderen; Zecharja was de eerstgeborene, Jediael de tweede, Zebadja de derde, Jathniel de vierde,

    3Elam de vijfde, Johanan de zesde, Eljoenai de zevende.

    4Obed-Edom had ook kinderen: Semaja was de eerstgeborene, Jozabad de tweede, Joah de derde, en Sachar de vierde, en Nethaneel de vijfde.

  • 72%

    6Ook werden zijn zoon Semaja kinderen geboren, heersende over het huis huns vaders; want zij waren kloeke helden.

    7De kinderen van Semaja waren Othni, en Refael, en Obed, en Elzabad, zijn broeders, kloeke lieden; Elihu, en Semachja.

    8Deze allen waren uit de kinderen van Obed-Edom; zij, en hun kinderen, en hun broeders, kloeke mannen in kracht tot den dienst; daar waren er twee en zestig van Obed-Edom.

  • 11Attai de zesde; Eliel de zevende;

  • 71%

    11Het vierde voor Jizri; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    12Het vijfde voor Nethanja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    13Het zesde voor Bukkia; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    14Het zevende voor Jesarela; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    15Het achtste voor Jesaja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

  • 20En Eljoenai, en Zillethai, en Eliel,

  • 8En de zonen van Pallu waren Eliab.

  • 69%

    26Het negentiende voor Mallothi; zijn zonen en zijn broederen; twaalf.

    27Het twintigste voor Eliatha; zijn zonen en zijn broederen; twaalf.

  • 69%

    25En Jifdeja, en Pnuel waren zonen van Sasak.

    26En Samserai, en Seharja, en Athalja,

  • 26Zijn zoon was Ladan; zijn zoon Ammihud; zijn zoon Elisama;

  • 22En Jispan, en Eber, en Eliel,

  • 8En Elisama, en Eljada, en Elifelet, negen.

  • Num 26:25-26
    2 verzen
    68%

    25Dat zijn de geslachten van Issaschar, naar hun getelden: vier en zestig duizend en driehonderd.

    26De zonen van Zebulon, naar hun geslachten, waren: van Sered het geslacht der Seredieten; van Elon het geslacht der Elonieten; van Jahleel het geslacht der Jahleelieten.

  • 5En Jibchar, en Elisua, en Elpelet,

  • 68%

    14Nethaneel, den vierde, Raddai, den vijfde,

    15Ozem, den zesde, David, den zevende.

  • 8En Jibnea, de zoon van Jeroham, en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, den zoon van Reuel, den zoon van Jibnija;

  • 26De kinderen van Misma waren dezen: Hammuel zijn zoon, Zaccur zijn zoon, Simei zijn zoon.

  • 8Van Issaschar, Nethaneel, de zoon van Zuar.

  • 20Het dertiende voor Subael; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

  • 23Voor de Amramieten, van de Jizharieten, van de Hebronieten, van de Uzzielieten,

  • 38De zonen van Benjamin, naar hun geslachten: van Bela het geslacht der Belaieten; van Asbel het geslacht der Asbelieten; van Ahiram het geslacht der Ahirmieten;

  • 67%

    3Issaschar, Zebulon, en Benjamin;

  • 23De zonen van Issaschar, naar hun geslachten, waren: van Tola het geslacht der Tolaieten; van Puva het geslacht der Punieten;

  • 36En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,

  • 1De kinderen van Issaschar waren Thola en Pua, Jasib en Simron; vier.

  • 10De zevende, in de zevende maand, was Helez, de Peloniet, uit de kinderen van Efraim; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.

  • 9Het vijfde voor Malchia, het zesde voor Mijamin,

  • 26En van den stam der kinderen van Issaschar, de overste Paltiel, zoon van Azzan;

  • 11Hilkia was de tweede, Tebalja de derde, Zecharja de vierde; al de kinderen en broederen van Hosa waren dertien.

  • 7En dit zijn de kinderen van Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, den zoon van Joed, den zoon van Pedaja, den zoon van Kolaja, den zoon van Maaseja, den zoon van Ithiel, den zoon van Jesaja;

  • 7En Elisama, en Beeljada, en Elifelet.

  • 6Daartoe Jibchar, en Elisama, en Elifelet,

  • 39En de zonen van Esek, zijn broeder, waren Ulam, zijn eerstgeborene, Jeus, de tweede, en Elifelet, de derde.

  • 13En de zonen van Issaschar: Tola, en Puwa, en Job, en Simron.

  • 18Over Juda was Elihu, uit de broederen van David; over Issaschar was Omri, de zoon van Michael;

  • 18En Jismerai, en Jizlia en Jobab, de kinderen van Elpaal.

  • 12Van de stam van Dan, Ammiel, de zoon van Gemalli.

  • 4Uthai, de zoon van Ammihud, den zoon van Omri, den zoon van Imri, den zoon van Bani, van de kinderen van Perez, den zoon van Juda.

  • 57De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pocheret-Hazebaim, de kinderen van Ami.