Numeri 34:26
En van den stam der kinderen van Issaschar, de overste Paltiel, zoon van Azzan;
En van den stam der kinderen van Issaschar, de overste Paltiel, zoon van Azzan;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
21Van den stam van Benjamin, Elidad, zoon van Chislon;
22En van den stam der kinderen van Dan, de overste Bukki, zoon van Jogli;
23Van de kinderen van Jozef: van den stam der kinderen van Manasse, de overste Hanniel, zoon van Efod;
24En van den stam der kinderen van Efraim, de overste Kemuel, zoon van Siftan;
25En van den stam der kinderen van Zebulon, de overste Elizafan, zoon van Parnach;
9Van de stam van Benjamin, Palti, de zoon van Rafu.
27En van den stam der kinderen van Aser, de overste Achihud, zoon van Selomi;
28En van den stam der kinderen van Nafthali, de overste Pedael, zoon van Ammihud.
5En nevens zal zich legeren de stam van Issaschar; en Nethaneel, de zoon van Zuar, zal de overste der zonen van Issaschar zijn.
8Van Issaschar, Nethaneel, de zoon van Zuar.
9Van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon.
15En over het heir van den stam der kinderen van Issaschar was Nethaneel, den zoon van Zuar.
16En over het heir van den stam der kinderen van Zebulon was Eliab, de zoon van Helon.
17Josafath, de zoon van Paruah, in Issaschar.
26En over het heir van den stam der kinderen van Aser was Pagiel, de zoon van Ochran.
27En over het heir van den stam der kinderen van Nafthali was Ahira, de zoon van Enan.
27En nevens hem zal zich legeren de stam van Aser; en Pagiel, de zoon van Ochran, zal de overste der zonen van Aser zijn.
7Daartoe de stam van Zebulon; en Eliab, de zoon van Helon, zal de overste der zonen van Zebulon zijn.
8En de zonen van Pallu waren Eliab.
29Daartoe de stam van Nafthali; en Ahira, de zoon van Enan, zal de overste der zonen van Nafthali zijn.
21Over half Manasse, in Gilead, was Jiddo, de zoon van Zecharja; over Benjamin was Jaasiel, de zoon van Abner;
22Over Dan was Azarel, de zoon van Jeroham. Dezen waren de oversten der stammen van Israel.
28Van de zonen van Issaschar, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
29Waren hun getelden van den stam van Issaschar vier en vijftig duizend en vierhonderd.
3Issaschar, Zebulon, en Benjamin;
23De zonen van Issaschar, naar hun geslachten, waren: van Tola het geslacht der Tolaieten; van Puva het geslacht der Punieten;
24Van Jasub het geslacht der Jasubieten; van Simron het geslacht der Simronieten.
25Dat zijn de geslachten van Issaschar, naar hun getelden: vier en zestig duizend en driehonderd.
26Helez, de Paltiet; Ira, de zoon van Ikes, de Thekoiet;
12Van Dan, Ahiezer, de zoon van Ammisaddai.
13Van Aser, Pagiel, de zoon van Ochran.
7Van de stam van Issaschar, Jigeal, de zoon van Jozef.
30De overste nu van het vaderlijke huis der geslachten van de Kahathieten, zal zijn Elisafan, de zoon van Uzziel.
26En aan de landpale van Issaschar, van den oosterhoek tot aan den westerhoek toe, Zebulon een.
32En van de kinderen van Issaschar, die ervaren waren in het verstand van de tijden, om te weten wat Israel doen moest; hun hoofden waren tweehonderd, en alle hun broeders pasten op hun woord;
13En de zonen van Issaschar: Tola, en Puwa, en Job, en Simron.
5Ammiel de zesde, Issaschar de zevende, Peullethai de achtste; want God had hem gezegend.
1De kinderen van Issaschar waren Thola en Pua, Jasib en Simron; vier.
28En van den stam van Issaschar, Kisjon en haar voorsteden, en Dobrath en haar voorsteden;
14En tien vorsten met hem, van ieder vaderlijk huis een vorst, uit al de stammen van Israel; en zij waren een ieder een hoofd van het huis hunner vaderen over de duizenden van Israel.
38Den zoon van Jizhar, den zoon van Kahath, den zoon van Levi, den zoon van Israel.
16Doch over de stammen van Israel waren dezen: over de Rubenieten was Eliezer, de zoon van Zichri, voorganger; over de Simeonieten was Sefatja, de zoon van Maacha;
17Over de Levieten was Hasabja, de zoon van Kemuel; over de Aaronieten was Zadok;
18Over Juda was Elihu, uit de broederen van David; over Issaschar was Omri, de zoon van Michael;
19Over Zebulon was Jismaja, de zoon van Obadja; over Nafthali was Jerimoth, de zoon van Azriel;
13Van de stam van Aser, Sethur, de zoon van Michael.
5Ruben was de eerstgeborene van Israel. De zonen van Ruben waren: Hanoch, van welken was het geslacht der Hanochieten; van Pallu het geslacht der Palluieten;
18En van Zebulon zeide hij: Verheug u, Zebulon! over uw uittocht, en Issaschar! over uw hutten.
18Op den tweeden dag offerde Nethaneel, de zoon van Zuar, de overste van Issaschar.
17Het vierde lot ging uit voor Issaschar, voor de kinderen van Issaschar, naar hun huisgezinnen.