2 Samuël 23:26
Helez, de Paltiet; Ira, de zoon van Ikes, de Thekoiet;
Helez, de Paltiet; Ira, de zoon van Ikes, de Thekoiet;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
27Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet;
28Ira, de zoon van Ikkes, de Thekoiet; Abiezer, de Anathothiet;
29Sibbechai, de Husathiet; Ilai, de Ahohiet;
30Maharai, de Netofathiet; Heled, de zoon van Baana, de Netofathiet;
27Abi-ezer, de Anetothiet; Mebunnai, de Husathiet;
28Zalmon, de Ahohiet; Maharai, de Netofathiet;
29Heleb, de zoon van Baena, de Netofathiet; Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins;
25Samma, de Harodiet; Elika, de Harodiet;
31Abi-Albon, de Arbathiet; Azmaveth, de Barhumiet;
32Eljachba, de Saalboniet; van de zonen van Jazen, Jonathan;
33Samma, de Harariet; Ahiam, de zoon van Sarar, de Harariet;
34Elifelet, de zoon van Ahasbai, de zoon van een Maachathiet; Eliam, de zoon van Achitofel, de Giloniet;
35Hezrai, de Karmeliet; Paerai, de Arbiet;
36Jig-al, de zoon van Nathan, van Zoba; Bani, de Gadiet;
37Zelek, de Ammoniet; Naharai, de Beerothiet, de wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;
38Ira, de Jethriet; Gareb, de Jethriet;
35Ahiam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elifal, de zoon van Ur;
36Hefer, de Mecherathiet; Ahia, de Peloniet;
37Hezro, de Karmeliet; Naari, de zoon van Ezbai;
30Dit zijn de zonen van Gilead: van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Helek het geslacht der Helekieten.
22En Jispan, en Eber, en Eliel,
23Voor de Amramieten, van de Jizharieten, van de Hebronieten, van de Uzzielieten,
9De zesde, in de zesde maand, was Ira, de zoon van Ikkes, de Thekoiet; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.
10De zevende, in de zevende maand, was Helez, de Peloniet, uit de kinderen van Efraim; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.
23En van de Levieten: Jozabad, en Simei, en Kelaja (deze is Kelita), Pethahja, Juda en Eliezer.
20En Eljoenai, en Zillethai, en Eliel,
17Ater, Hizkia, Azzur,
39Zelek, de Ammoniet; Nahrai, de Berothiet, wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;
40Ira, de Jithriet; Gareb, de Jithriet;
46Eliel Hammahavim en Jeribai, en Josavia, de zonen van Elnaam; en Jithma, de Moabiet;
17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,
24Hallohes, Pilha, Sobek,
5En Jibchar, en Elisua, en Elpelet,
7En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezohar, en Ethnan.
45Van de zonen van Beria waren: van Heber het geslacht der Heberieten; van Malchiel het geslacht der Malchielieten.
33Azmaveth, de Baharumiet; Eljahba, de Saalboniet;
5Eluzai, en Jerimoth, en Bealja, en Semarja, en Sefatja, de Harufiet;
20Magpias, Mesullam, Hezir,
44Uzzia, de Asterathiet; Sama, en Jeiel, de zoon van Hotham, den Aroeriet;
16En Elischama, en Eljade, en Elifeleth.
32En van Semida het geslacht der Semidaieten; en van Hefer het geslacht der Heferieten.
3Het hoofd was Ahiezer, en Joas, zonen van Semaa, den Gibeathiet; daarna Jeziel en Pelet, zonen van Azmaveth, en Beracha, en Jehu, de Anathothiet.
15Van Harim, Adna; van Merajoth, Helkai;
39En Azaria gewon Helez, en Helez gewon Elasa,
26En van de kinderen van Elam: Mattanja, Zacharja, en Jehiel, en Abdi, en Jeremoth, en Elia.
35Benaja, Bedeja, Cheluhu,
31En van de kinderen van Harim: Eliezer, Jissia, Malchia, Semaja, Simeon,
21Van Hilkia, Hasabja; van Jedaja, Nethaneel.
18Van de kinderen van Jizhar was Selomith het hoofd.
3Elam de vijfde, Johanan de zesde, Eljoenai de zevende.