2 Samuël 23:27
Abi-ezer, de Anetothiet; Mebunnai, de Husathiet;
Abi-ezer, de Anetothiet; Mebunnai, de Husathiet;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
28Zalmon, de Ahohiet; Maharai, de Netofathiet;
29Heleb, de zoon van Baena, de Netofathiet; Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins;
30Benaja, de Pirhathoniet; Hiddai, van de beken van Gaas;
31Abi-Albon, de Arbathiet; Azmaveth, de Barhumiet;
32Eljachba, de Saalboniet; van de zonen van Jazen, Jonathan;
33Samma, de Harariet; Ahiam, de zoon van Sarar, de Harariet;
34Elifelet, de zoon van Ahasbai, de zoon van een Maachathiet; Eliam, de zoon van Achitofel, de Giloniet;
35Hezrai, de Karmeliet; Paerai, de Arbiet;
36Jig-al, de zoon van Nathan, van Zoba; Bani, de Gadiet;
37Zelek, de Ammoniet; Naharai, de Beerothiet, de wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;
38Ira, de Jethriet; Gareb, de Jethriet;
27Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet;
28Ira, de zoon van Ikkes, de Thekoiet; Abiezer, de Anathothiet;
29Sibbechai, de Husathiet; Ilai, de Ahohiet;
30Maharai, de Netofathiet; Heled, de zoon van Baana, de Netofathiet;
31Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins; Benaja, de Pirhathoniet;
32Hurai, van de beken van Gaas; Abiel; de Arbathiet;
33Azmaveth, de Baharumiet; Eljahba, de Saalboniet;
25Samma, de Harodiet; Elika, de Harodiet;
26Helez, de Paltiet; Ira, de zoon van Ikes, de Thekoiet;
11De achtste, in de achtste maand, was Sibbechai, de Husathiet, van de Zerahieten; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.
12De negende, in de negende maand, was Abiezer, de Anathothiet; van de Benjaminieten; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.
22En Jispan, en Eber, en Eliel,
23En Abdon, en Zichri, en Hanan,
36Hefer, de Mecherathiet; Ahia, de Peloniet;
37Hezro, de Karmeliet; Naari, de zoon van Ezbai;
3Het hoofd was Ahiezer, en Joas, zonen van Semaa, den Gibeathiet; daarna Jeziel en Pelet, zonen van Azmaveth, en Beracha, en Jehu, de Anathothiet.
43Hanan, de zoon van Maacha, en Josafat, de Mithniet;
44Uzzia, de Asterathiet; Sama, en Jeiel, de zoon van Hotham, den Aroeriet;
39Zelek, de Ammoniet; Nahrai, de Berothiet, wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;
46Eliel Hammahavim en Jeribai, en Josavia, de zonen van Elnaam; en Jithma, de Moabiet;
47Eliel, en Obed, en Jaaziel van Mezobaja.
17Ater, Hizkia, Azzur,
18Hodia, Hasum, Bezai,
19Harif, Anathoth, Nebai,
20Magpias, Mesullam, Hezir,
17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,
27En Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Palet,
23Voor de Amramieten, van de Jizharieten, van de Hebronieten, van de Uzzielieten,
24En de kinderen van Eljoenai waren Hodajeva, en Eljasib, en Pelaja, en Akkub, en Johanan, en Delaja, en Anani; zeven.
23De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig.
26En Ahia, Hanan, Anan,
5Eluzai, en Jerimoth, en Bealja, en Semarja, en Sefatja, de Harufiet;
41Uria, de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai;
11En uit Husim gewon hij Abitub en Elpaal.
7Mesullam, Abia, Mijamin,
17Van Abia, Zichri; van Minjamin, van Moadja, Piltai;
52De kinderen van Bezai, de kinderen van Meunim, de kinderen van Nefussim;
20En Rabbith, en Kisjon, en Ebez,
57De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pocheret-Hazebaim, de kinderen van Ami.