Nehemia 7:52
De kinderen van Bezai, de kinderen van Meunim, de kinderen van Nefussim;
De kinderen van Bezai, de kinderen van Meunim, de kinderen van Nefussim;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
46De kinderen van Hagab, de kinderen van Samlai, de kinderen van Hanan;
47De kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar, de kinderen van Reaja;
48De kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda, de kinderen van Gazzam;
49De kinderen van Uza, de zonen van Paeah, de kinderen van Bezai;
50De kinderen van Asna, de kinderen der Mehunim, de kinderen der Nefusim;
51De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;
52De kinderen van Bazluth, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;
53De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;
54De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa.
46De Nethinim: de kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;
47De kinderen van Keros, de kinderen van Sia, de kinderen van Padon;
48De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Salmai;
49De kinderen van Hanan, de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar;
50De kinderen van Reaja, de kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda;
51De kinderen van Gazzam, de kinderen van Uzza, de kinderen van Paseah;
53De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;
54De kinderen van Bazlith, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;
55De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;
56De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa;
29De kinderen van Nebo, twee en vijftig.
59De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochereth van Zebaim, de kinderen van Amon;
60Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.
61Ook togen dezen op van Thel-melah, Thel-harsa, Cherub, Addon en Immer; maar zij konden hunner vaderen huis, en hun zaad niet tonen, of zij uit Israel waren;
62De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en veertig.
15De kinderen van Binnui, zeshonderd acht en veertig;
16De kinderen van Bebai, zeshonderd acht en twintig;
43De Nethinim. De kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;
44De kinderen van Keros, de kinderen van Siaha, de kinderen van Padon;
57De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pocheret-Hazebaim, de kinderen van Ami.
9De kinderen van Zakkai, zevenhonderd zestig.
10De kinderen van Bani, zeshonderd twee en veertig.
11De kinderen van Bebai, zeshonderd drie en twintig.
6Dit zijn de kinderen van dat landschap, die optogen uit de gevangenis der weggevoerden, die Nebukadnezar, koning van Babel, weggevoerd had, en die wedergekeerd zijn naar Jeruzalem en naar Juda, een iegelijk tot zijn stad;
7Dewelke kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azaria, Raamja, Nahamani, Mordechai, Bilsan, Mispereth, Bigvai, Nehim en Baena. Dit is het getal der mannen van het volk van Israel.
8De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig;
9De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig;
23De kinderen van Bezai, driehonderd vier en twintig;
7Mesullam, Abia, Mijamin,
30En van de kinderen van Pahath-Moab: Adna, en Chelal, Benaja, Maaseja, Mattanja, Bezaleel, en Binnui, en Manasse.
36En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,
19De kinderen van Bigvai, twee duizend, zeven en zestig;
17De kinderen van Bezai, driehonderd drie en twintig.
33De mannen van het andere Nebo, twee en vijftig;
3De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig.
60De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en vijftig.
12Zakkur, Serebja, Sebanja,
13Hodia, Bani, Beninu;
14De kinderen van Bigvai, twee duizend zes en vijftig.
6En Nogah, en Nefeg, en Jafia,
22De mannen van Netofa, zes en vijftig.