Numeri 26:45
Van de zonen van Beria waren: van Heber het geslacht der Heberieten; van Malchiel het geslacht der Malchielieten.
Van de zonen van Beria waren: van Heber het geslacht der Heberieten; van Malchiel het geslacht der Malchielieten.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
30De kinderen van Aser waren Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Beria, en Sera, hunlieder zuster.
31De kinderen van Beria nu waren Heber en Malchiel; hij is de vader van Birzavith.
32En Heber gewon Jaflet, en Somer, en Hotham, en Sua, hunlieder zuster.
17En de zonen van Aser: Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Berija, en Sera, hun zuster; en de zonen van Berija: Heber en Malchiel.
29De zonen van Manasse waren: van Machir het geslacht der Machirieten; Machir nu gewon Gilead; van Gilead was het geslacht der Gileadieten.
30Dit zijn de zonen van Gilead: van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Helek het geslacht der Helekieten.
31En van Asriel het geslacht der Alrielieten; en van Sechem het geslacht der Sechemieten;
32En van Semida het geslacht der Semidaieten; en van Hefer het geslacht der Heferieten.
44De zonen van Aser, naar hun geslachten, waren: van Imna het geslacht der Imnaieten; van Isvi het geslacht der Isvieten; van Beria het geslacht der Beriieten.
38De zonen van Benjamin, naar hun geslachten: van Bela het geslacht der Belaieten; van Asbel het geslacht der Asbelieten; van Ahiram het geslacht der Ahirmieten;
39Van Sefufam het geslacht der Sufamieten; van Hufam het geslacht der Hufamieten.
23Voor de Amramieten, van de Jizharieten, van de Hebronieten, van de Uzzielieten,
6Van Hezron het geslacht der Hezronieten; van Karmi het geslacht der Karmieten.
26De zonen van Zebulon, naar hun geslachten, waren: van Sered het geslacht der Seredieten; van Elon het geslacht der Elonieten; van Jahleel het geslacht der Jahleelieten.
20Alzo waren de zonen van Juda naar hun geslachten: van Sela het geslacht der Selanieten; van Perez het geslacht der Perezieten; van Zerah het geslacht der Zerahieten.
21En de zonen van Perez waren: van Hezron het geslacht der Hezronieten; van Hamul het geslacht der Hamulieten.
13Van Zerah het geslacht der Zerahieten; van Saul het geslacht der Saulieten.
16En Michael, en Jispa, en Joha waren kinderen van Beria.
17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,
49Van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Sillem het geslacht der Sillemieten.
16Van Ozni het geslacht der Oznieten; van Heri het geslacht der Herieten;
17Van Arod het geslacht der Arodieten; van Areli het geslacht der Arelieten.
22En Jispan, en Eber, en Eliel,
57Dit zijn nu de getelden van Levi, naar hun geslachten: van Gerson het geslacht der Gersonieten; van Kohath het geslacht der Kohathieten; van Merari het geslacht der Merarieten.
15Van Harim, Adna; van Merajoth, Helkai;
33Van Merari is het geslacht der Mahelieten, en het geslacht der Musieten; dit zijn de geslachten van Merari.
31En van de kinderen van Harim: Eliezer, Jissia, Malchia, Semaja, Simeon,
20Van Sallai, Kallai; van Amok, Heber;
11En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merari.
45Den zoon van Hasabja, den zoon van Amazia, den zoon van Hilkia,
46En de naam der dochter van Aser was Serah.
7Aangaande zijn broederen in hun huisgezinnen, als zij naar hun geboorten in de geslachtsregisters gesteld werden; de hoofden zijn geweest Jehiel en Zecharja,
19En de zonen van Kahath, naar hun geslachten; Amram en Izhar, Hebron en Uzziel.
20En de zonen van Merari, naar hun geslachten: Maheli en Musi; dit zijn de geslachten der Levieten, naar het huis hunner vaderen.
36Hefer, de Mecherathiet; Ahia, de Peloniet;
21De kinderen van Merari waren Maheli en Musi; de kinderen van Maheli waren Eleazar en Kis.
27En van Kahath is het geslacht der Amramieten, en het geslacht der Izharieten, en het geslacht der Hebronieten, en het geslacht der Uzzielieten; dit zijn de geslachten der Kahathieten.
23En van de kinderen van Hebron was Jeria de eerste, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, Jekameam de vierde.
10De kinderen van Simei nu waren Jahath, Zina, en Jeus, en Beria; dezen waren de kinderen van Simei; vier.
11En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar Jeus en Beria hadden niet vele kinderen; daarom waren zij in het vaderlijke huis maar van een telling.
29Aangaande Kis: de kinderen van Kis waren Jerahmeel.
40Den zoon van Michael, den zoon van Baeseja, den zoon van Malchija,
42De kinderen van Kaleb nu, den broeder van Jerahmeel, zijn Mesa, zijn eerstgeborene (die is de vader van Zif), en de kinderen van Maresa, den vader van Hebron.
6Van de kinderen van Merari was Asaja overste, en van zijn broederen waren tweehonderd en twintig.
24Van Jasub het geslacht der Jasubieten; van Simron het geslacht der Simronieten.
46Eliel Hammahavim en Jeribai, en Josavia, de zonen van Elnaam; en Jithma, de Moabiet;
26Helez, de Paltiet; Ira, de zoon van Ikes, de Thekoiet;
31Van de Hebronieten was Jeria het hoofd, van de Hebronieten zijner geslachten onder de vaderen; in het veertigste jaar des koninkrijks van David zijn er gezocht en onder hen gevonden kloeke helden in Jaezer in Gilead.
36En dit zijn de zonen van Sutelah; van Eran het geslacht der Eranieten.