Numeri 34:21
Van den stam van Benjamin, Elidad, zoon van Chislon;
Van den stam van Benjamin, Elidad, zoon van Chislon;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
22En van den stam der kinderen van Dan, de overste Bukki, zoon van Jogli;
23Van de kinderen van Jozef: van den stam der kinderen van Manasse, de overste Hanniel, zoon van Efod;
24En van den stam der kinderen van Efraim, de overste Kemuel, zoon van Siftan;
25En van den stam der kinderen van Zebulon, de overste Elizafan, zoon van Parnach;
26En van den stam der kinderen van Issaschar, de overste Paltiel, zoon van Azzan;
27En van den stam der kinderen van Aser, de overste Achihud, zoon van Selomi;
28En van den stam der kinderen van Nafthali, de overste Pedael, zoon van Ammihud.
9Van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon.
10Van de kinderen van Jozef: van Efraim, Elisama, de zoon van Ammihud; van Manasse, Gamaliel, de zoon van Pedazur.
11Van Benjamin, Abidan, de zoon van Gideoni.
12Van Dan, Ahiezer, de zoon van Ammisaddai.
21Over half Manasse, in Gilead, was Jiddo, de zoon van Zecharja; over Benjamin was Jaasiel, de zoon van Abner;
22Over Dan was Azarel, de zoon van Jeroham. Dezen waren de oversten der stammen van Israel.
22Daartoe de stam van Benjamin; en Abidan, de zoon van Gideoni, zal de overste der zonen van Benjamin zijn.
18Simei, de zoon van Ela, in Benjamin.
9Van de stam van Benjamin, Palti, de zoon van Rafu.
10Van de stam van Zebulon, Gaddiel, de zoon van Sodi.
11Van de stam van Jozef, voor den stam van Manasse, Gaddi, de zoon van Susi.
12Van de stam van Dan, Ammiel, de zoon van Gemalli.
19En dit zijn de namen dezer mannen: van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne;
20En van den stam der kinderen van Simeon, Semuel, zoon van Ammihud;
5Deze zijn nu de namen der mannen, die bij u staan zullen: van Ruben, Elizur, de zoon van Sedeur.
6Van Simeon, Selumiel, de zoon van Zurisaddai.
36En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,
7Daartoe de stam van Zebulon; en Eliab, de zoon van Helon, zal de overste der zonen van Zebulon zijn.
38De zonen van Benjamin, naar hun geslachten: van Bela het geslacht der Belaieten; van Asbel het geslacht der Asbelieten; van Ahiram het geslacht der Ahirmieten;
7En van de kinderen van Benjamin waren Sallu, de zoon van Mesullam, den zoon van Hodavja, den zoon van Hassenua;
8En Jibnea, de zoon van Jeroham, en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, den zoon van Reuel, den zoon van Jibnija;
24En over het heir van den stam der kinderen van Benjamin was Abidan, de zoon van Gideoni.
20En Eljoenai, en Zillethai, en Eliel,
3Issaschar, Zebulon, en Benjamin;
16En over het heir van den stam der kinderen van Zebulon was Eliab, de zoon van Helon.
35Benaja, Bedeja, Cheluhu,
41Den zoon van Ethni, den zoon van Zerah, den zoon van Adaja,
16Doch over de stammen van Israel waren dezen: over de Rubenieten was Eliezer, de zoon van Zichri, voorganger; over de Simeonieten was Sefatja, de zoon van Maacha;
17Over de Levieten was Hasabja, de zoon van Kemuel; over de Aaronieten was Zadok;
8Uit de kinderen van Elizafan was overste Semaja, en van zijn broederen waren tweehonderd.
9Uit de kinderen van Hebron was Eliel overste, en zijn broederen waren tachtig.
17En uit Benjamin was Eljada, een kloek held; en met hem tweehonderd duizend, die met boog en schild gewapend waren.
23En van de Levieten: Jozabad, en Simei, en Kelaja (deze is Kelita), Pethahja, Juda en Eliezer.
10De kinderen van Jediael nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeus en Benjamin, en Ehud, en Chenaana, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar.
30De overste nu van het vaderlijke huis der geslachten van de Kahathieten, zal zijn Elisafan, de zoon van Uzziel.
6De kinderen van Benjamin waren Bela, en Becher, en Jediael; drie.
14Daartoe de stam van Gad; en Eljasaf, de zoon van Rehuel, zal de overste der zonen van Gad zijn.
37Waren hun getelden van den stam van Benjamin vijf en dertig duizend en vierhonderd.
16En Elischama, en Eljade, en Elifeleth.
21En de zonen van Benjamin: Bela, Becher en Asbel, Gera en Naaman, Echi en Ros, Muppim en Huppim, en Ard.
21Van Hilkia, Hasabja; van Jedaja, Nethaneel.
14Van Gad, Eljasaf, de zoon van Dehuel.
20En over het heir van den stam der kinderen van Gad was Eljasaf, de zoon van Dehuel.