1 Kronieken 4:26
De kinderen van Misma waren dezen: Hammuel zijn zoon, Zaccur zijn zoon, Simei zijn zoon.
De kinderen van Misma waren dezen: Hammuel zijn zoon, Zaccur zijn zoon, Simei zijn zoon.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
24De kinderen van Simeon waren Nemuel en Jamin, Jarib, Zerah, Saul.
25Sallum was zijn zoon; Mibsam was zijn zoon; Misma was zijn zoon.
27Simei nu had zestien zonen en zes dochteren; maar zijn broeders hadden niet veel kinderen; en hun ganse huisgezin werd zo zeer niet vermenigvuldigd, als van de kinderen van Juda.
37En Ziza, de zoon van Sifei, den zoon van Allon, den zoon van Jedaja, den zoon van Simri, den zoon van Semaja;
2Meselemja nu had kinderen; Zecharja was de eerstgeborene, Jediael de tweede, Zebadja de derde, Jathniel de vierde,
10De kinderen van Simei nu waren Jahath, Zina, en Jeus, en Beria; dezen waren de kinderen van Simei; vier.
6Ook werden zijn zoon Semaja kinderen geboren, heersende over het huis huns vaders; want zij waren kloeke helden.
7De kinderen van Semaja waren Othni, en Refael, en Obed, en Elzabad, zijn broeders, kloeke lieden; Elihu, en Semachja.
42Den zoon van Ethan, den zoon van Zimma, den zoon van Simei,
25Maar zijn broeders van Eliezer waren dezen: Rehabja was zijn zoon, en Jesaja zijn zoon, en Joram zijn zoon, en Zichri zijn zoon, en Selomith zijn zoon.
38Mikloth nu gewon Simeam; dezen woonden ook te Jeruzalem, tegenover hun broederen, met hun broederen.
29De kinderen van Merari waren Maheli; zijn zoon Libni; zijn zoon Simei; zijn zoon Uzza;
30Zijn zoon Simea; zijn zoon Haggija; zijn zoon Asaja.
46Den zoon van Amzi, den zoon van Bani, den zoon van Semer,
31En van de kinderen van Harim: Eliezer, Jissia, Malchia, Semaja, Simeon,
32Benjamin, Malluch, Semarja.
33Van de kinderen van Hasum: Mathnai, Mattata, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse, Simei.
21En Adaja, en Beraja, en Simrath waren kinderen van Simei.
37De kinderen van Rehuel waren Nahath, Zerah, Samma en Mizza.
20En van den stam der kinderen van Simeon, Semuel, zoon van Ammihud;
10En de zonen van Simeon: Jemuel, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zoar, en Saul, de zoon ener Kanaanietische vrouw.
4Obed-Edom had ook kinderen: Semaja was de eerstgeborene, Jozabad de tweede, Joah de derde, en Sachar de vierde, en Nethaneel de vijfde.
32En Mikloth gewon Simea; en dezen woonden ook tegenover hun broederen te Jeruzalem, met hun broederen.
44Sema nu gewon Raham, den vader van Jorkeam, en Rekem gewon Sammai.
45De kinderen van Sammai nu waren Maon; en Maon was de vader van Beth-Zur.
24Van de kinderen van Uzziel was Micha; van de kinderen van Micha was Samir;
4En dit zijn hun namen: van den stam van Ruben, Sammua, de zoon van Zaccur.
19De kinderen van Pedaja nu waren Zerubbabel en Simei; en de kinderen van Zerubbabel waren Mesullam en Hananja; en Selomith was hunlieder zuster;
40En Elasa gewon Sismai, en Sismai gewon Sallum,
41En Sallum gewon Jekamja, en Jekamja gewon Elisama.
12De zonen van Simeon, naar hun geslachten: van Nemuel, het geslacht der Nemuelieten; van Jamin het geslacht der Jaminieten; van Jachin het geslacht der Jachinieten;
13Van Zerah het geslacht der Zerahieten; van Saul het geslacht der Saulieten.
15Dit nu zijn de namen der zonen van Levi, naar hun geboorten: Gerson, en Kehath, en Merari. En de jaren des levens van Levi waren honderd zeven en dertig jaren.
14Van de Levieten nu waren Semaja, de zoon van Hasub, den zoon van Azrikam, den zoon van Hasabja, van de kinderen van Merari;
20En de kinderen van Simon nu waren Amnon en Rinna, Ben-hanan en Tilon; en de kinderen van Isei waren Zoheth en Ben-Zoheth.
4De kinderen van Joel: zijn zoon Semaja; zijn zoon Gog; zijn zoon Simei;
24Van Jasub het geslacht der Jasubieten; van Simron het geslacht der Simronieten.
6Van Simeon, Selumiel, de zoon van Zurisaddai.
43Al de geslachten der Suhamieten, naar hun getelden, waren vier en zestig duizend en vierhonderd.
10En Jeuz, en Sochja, en Mirma; dezen zijn zijne zonen, hoofden der vaderen.
14En van de kinderen van Heman, Jehiel en Simei; en van de kinderen van Jeduthun, Semaja en Uzziel.
26Zijn zoon was Ladan; zijn zoon Ammihud; zijn zoon Elisama;
22De kinderen nu van Sechanja waren Semaja; en de kinderen van Semaja waren Hattus, en Jigeal, en Bariah, en Nearja, en Safat; zes.
5En Maaseja, de zoon van Baruch, den zoon van Kol-hose, den zoon van Hazaja, den zoon van Adaja, den zoon van Jojarib, den zoon van Zacharja, den zoon van Siloni.
17Het tiende voor Simei; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
49Van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Sillem het geslacht der Sillemieten.
39Van Sefufam het geslacht der Sufamieten; van Hufam het geslacht der Hufamieten.
15De zonen van Gad, naar hun geslachten: van Zefon het geslacht der Zefonieten; van Haggi het geslacht der Haggieten; van Suni het geslacht der Sunieten.
19En Jakim, en Zichri, en Zabdi,