1 Kronieken 25:17

Statenvertaling (States Bible)

Het tiende voor Simei; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

Aanvullende bronnen

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 85%

    9Het eerste lot nu ging uit voor Asaf, namelijk voor Jozef. Het tweede voor Gedalja; hij en zijn broederen, en zijn zonen, waren twaalf.

    10Het derde voor Zakkur; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    11Het vierde voor Jizri; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    12Het vijfde voor Nethanja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    13Het zesde voor Bukkia; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    14Het zevende voor Jesarela; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    15Het achtste voor Jesaja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    16Het negende voor Mattanja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

  • 84%

    18Het elfde voor Azareel; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    19Het twaalfde voor Hasabja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    20Het dertiende voor Subael; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    21Het veertiende voor Mattithja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    22Het vijftiende voor Jeremoth; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    23Het zestiende voor Hananja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    24Het zeventiende voor Josbekasa; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    25Het achttiende voor Hanani; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    26Het negentiende voor Mallothi; zijn zonen en zijn broederen; twaalf.

    27Het twintigste voor Eliatha; zijn zonen en zijn broederen; twaalf.

    28Het een en twintigste voor Hothir; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    29Het twee en twintigste voor Giddalti; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    30Het drie en twintigste voor Mahazioth; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    31Het vier en twintigste voor Romamthi-Ezer; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

  • 79%

    25Sallum was zijn zoon; Mibsam was zijn zoon; Misma was zijn zoon.

    26De kinderen van Misma waren dezen: Hammuel zijn zoon, Zaccur zijn zoon, Simei zijn zoon.

    27Simei nu had zestien zonen en zes dochteren; maar zijn broeders hadden niet veel kinderen; en hun ganse huisgezin werd zo zeer niet vermenigvuldigd, als van de kinderen van Juda.

  • 79%

    9De kinderen van Simei waren Selomith, en Haziel, en Haran, drie; dezen waren de hoofden der vaderen van Ladan.

    10De kinderen van Simei nu waren Jahath, Zina, en Jeus, en Beria; dezen waren de kinderen van Simei; vier.

  • 75%

    31En van de kinderen van Harim: Eliezer, Jissia, Malchia, Semaja, Simeon,

    32Benjamin, Malluch, Semarja.

    33Van de kinderen van Hasum: Mathnai, Mattata, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse, Simei.

  • 25Maar zijn broeders van Eliezer waren dezen: Rehabja was zijn zoon, en Jesaja zijn zoon, en Joram zijn zoon, en Zichri zijn zoon, en Selomith zijn zoon.

  • 21En Adaja, en Beraja, en Simrath waren kinderen van Simei.

  • 18Simei, de zoon van Ela, in Benjamin.

  • 38En Bani, en Binnui, Simei,

  • 10Mismanna de vierde; Jirmeja de vijfde;

  • 7De kinderen van Semaja waren Othni, en Refael, en Obed, en Elzabad, zijn broeders, kloeke lieden; Elihu, en Semachja.

  • 12Zakkur, Serebja, Sebanja,

  • 32En Mikloth gewon Simea; en dezen woonden ook tegenover hun broederen te Jeruzalem, met hun broederen.

  • 8En Elisama, en Eljada, en Elifelet, negen.

  • 13Jirmeja de tiende; Machbannai de elfde.

  • 8Uit de kinderen van Elizafan was overste Semaja, en van zijn broederen waren tweehonderd.

  • 9Meselemja nu had kinderen en broeders, kloeke lieden, achttien.

  • 18Van Bilga, Sammua; van Semaja, Jonathan;

  • 38Mikloth nu gewon Simeam; dezen woonden ook te Jeruzalem, tegenover hun broederen, met hun broederen.

  • 11Hilkia was de tweede, Tebalja de derde, Zecharja de vierde; al de kinderen en broederen van Hosa waren dertien.

  • 10En van de kinderen van Selomith, de zoon van Josifja; en met hem honderd en zestig manspersonen.

  • 19En Hasabja, en met hem Jesaja, van de kinderen van Merari, met zijn broederen, en hun zonen, twintig;

  • 10Uit de kinderen van Uzziel was Amminadab overste, en zijn broederen waren honderd en twaalf.

  • 16En Simei, de zoon van Gera, een zoon van Jemini, die van Bahurim was, haastte zich, en kwam af met de mannen van Juda, den koning David tegemoet;

  • 30Zijn zoon Simea; zijn zoon Haggija; zijn zoon Asaja.