1 Kronieken 12:13
Jirmeja de tiende; Machbannai de elfde.
Jirmeja de tiende; Machbannai de elfde.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
9Ezer was het hoofd; Obadja de tweede; Eliab de derde;
10Mismanna de vierde; Jirmeja de vijfde;
11Attai de zesde; Eliel de zevende;
12Johanan de achtste; Elzabad de negende;
15Het achtste voor Jesaja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
16Het negende voor Mattanja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
17Het tiende voor Simei; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
18Het elfde voor Azareel; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
9Het vijfde voor Malchia, het zesde voor Mijamin,
10Het zevende voor Hakkoz, het achtste voor Abia,
11Het negende voor Jesua, het tiende voor Sechanja,
12Het elfde voor Eljasib, het twaalfde voor Jakim,
2Seraja, Azarja, Jeremia,
3Pashur, Amarja, Malchia,
12En in de dagen van Jojakim waren priesters, hoofden der vaderen: van Seraja was Meraja; van Jeremia, Hananja;
13Van Ezra, Mesullam; van Amarja, Johanan;
14Van Melichu, Jonathan; van Sebanja, Jozef;
25En van Israel: van de kinderen van Paros: Ramja, en Jezia, en Malchia, en Mijamim, en Eleazar, en Malchia, en Benaja.
26En van de kinderen van Elam: Mattanja, Zacharja, en Jehiel, en Abdi, en Jeremoth, en Elia.
27En van de kinderen van Zatthu: Eljoenai, Eljasib, Mattanja, en Jeremoth, en Zabad, Aziza.
11Micha, Rehob, Hasabja,
12Zakkur, Serebja, Sebanja,
13Hodia, Bani, Beninu;
14De hoofden des volks: Parhos, Pahath-Moab, Elam, Zatthu, Bani,
11Het vierde voor Jizri; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
12Het vijfde voor Nethanja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
13Het zesde voor Bukkia; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
36Vanja, Meremoth, Eljasib,
37Mattanja, Mathnai, en Jaasai,
21Het veertiende voor Mattithja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
22Het vijftiende voor Jeremoth; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
23Het zestiende voor Hananja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
33Van de kinderen van Hasum: Mathnai, Mattata, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse, Simei.
14Dezen waren van de kinderen van Gad, hoofden des heirs; een van de kleinsten was over honderd, en de grootste over duizend.
3Elam de vijfde, Johanan de zesde, Eljoenai de zevende.
5Harim, Meremoth, Obadja,
6Daniel, Ginnethon, Baruch,
7Mesullam, Abia, Mijamin,
12En Adaja, de zoon van Jeroham, den zoon van Pashur, den zoon van Malchija; en Massi, de zoon van Adiel, den zoon van Jahzera, den zoon van Mesullam, den zoon van Mesillemith, den zoon van Immer.
34Juda, en Benjamin, en Semaja, en Jeremia;
4En Jismaja, de Gibeoniet, was een held onder de dertig, en over dertig gesteld; en Jirmeja, en Jahaziel, en Johanan, en Jozabad, de Gederathiet;
10Van de priesteren nu, Jedaja, en Jojarib, en Jachin,
12En hun broederen, die het werk in het huis deden, waren achthonderd twee en twintig. En Adaja, de zoon van Jeroham, den zoon van Pelalja, den zoon van Amzi, den zoon van Zacharja, den zoon van Pashur, den zoon van Malchia;
30Het drie en twintigste voor Mahazioth; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
18Van Bilga, Sammua; van Semaja, Jonathan;
16Van Iddo, Zacharia; van Ginnethon, Mesullam;
6Semaja, en Jojarib, Jedaja,
18Hodia, Hasum, Bezai,
40Machnadbai, Sasai, Sarai,
24En Hananja, en Elam, en Antothija,