1 Kronieken 12:14

Statenvertaling (States Bible)

Dezen waren van de kinderen van Gad, hoofden des heirs; een van de kleinsten was over honderd, en de grootste over duizend.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Lev 26:8 : 8 Vijf uit u zullen honderd vervolgen, en honderd uit u zullen tien duizend vervolgen; en uw vijanden zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.
  • Deut 32:30 : 30 Hoe zoude een enige duizend jagen, en twee tien duizend doen vluchten, ten ware, dat hunlieder Rotssteen hen verkocht, en de HEERE hen overgeleverd had?

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Num 2:13-15
    3 verzen
    75%

    13Zijn heir nu, en zijn getelden waren negen en vijftig duizend en driehonderd.

    14Daartoe de stam van Gad; en Eljasaf, de zoon van Rehuel, zal de overste der zonen van Gad zijn.

    15Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.

  • Num 1:24-25
    2 verzen
    75%

    24Van de zonen van Gad, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken.

    25Waren hun getelden van den stam van Gad vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.

  • 15Deze zelfden zijn het, die over de Jordaan gingen in de eerste maand, toen dezelve vol was aan al haar oevers; en zij verdreven al de inwoners der laagten, tegen het oosten en tegen het westen.

  • 13Jirmeja de tiende; Machbannai de elfde.

  • 73%

    34En uit Nafthali, duizend oversten, en bij hen met rondas en spies, zeven en dertig duizend.

    35En uit de Danieten, ten strijde toegerust, acht en twintig duizend en zeshonderd;

  • 14En hun broederen, dappere helden, waren honderd acht en twintig; en opziener over hen was Zabdiel, de zoon van Gedolim.

  • 72%

    14Dit nu is hun telling, naar de huizen hunner vaderen. In Juda waren oversten der duizenden: Adna de overste, en met hem waren driehonderd duizend kloeke helden.

    15Naast hem nu was de overste Johanan; en met hem waren tweehonderd tachtig duizend;

  • 37En van gene zijde van de Jordaan, van de Rubenieten, en Gadieten, en den halven stam van Manasse, met allerlei krijgsgereedschap ten oorlog, honderd en twintigduizend.

  • 18Dat zijn de geslachten der zonen van Gad, naar hun getelden: veertig duizend en vijfhonderd.

  • 16Dezen waren de geroepenen der vergadering, de oversten der stammen hunner vaderen; zij waren de hoofden der duizenden van Israel.

  • 28Zijn heir nu, en zijn getelden waren een en veertig duizend en vijfhonderd.

  • 32En zijn broeders waren kloeke lieden, twee duizend en zevenhonderd hoofden der vaderen; en de koning David stelde hen over de Rubenieten, en Gadieten, en den halven stam der Manassieten, tot alle zaken Gods en de zaken des konings.

  • 11Alle dezen waren kinderen van Jediael, tot hoofden der vaderen, kloeke helden, zeventien duizend en tweehonderd, uitgaande in het heir ten strijde.

  • 4Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en zeventig duizend en zeshonderd.

  • 23Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en dertig duizend en vierhonderd.

  • 8Zijn heir nu, en zijn getelden waren zeven en vijftig duizend en vierhonderd.

  • 21Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en dertig duizend en tweehonderd.

  • 30Zijn heir nu, en zijn getelden waren drie en vijftig duizend en vierhonderd.

  • 70%

    8Ook scheidden zich van de Gadieten af tot David, in die vesting naar de woestijn, kloeke helden, krijgslieden ten oorlog, toegerust met rondas en schild; en hun aangezichten waren aangezichten der leeuwen; en zij waren als de reeen op de bergen in snelheid.

    9Ezer was het hoofd; Obadja de tweede; Eliab de derde;

  • 30En van de kinderen van Efraim, twintig duizend en achthonderd, kloeke helden, mannen van naam in het huis hunner vaderen;

  • 70%

    14De elfde, in de elfde maand, was Benaja, de Pirhathoniet, van de kinderen van Efraim; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.

    15De twaalfde, in de twaalfde maand, was Heldai, de Nethofathiet, van Othniel; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.

  • 14En tien vorsten met hem, van ieder vaderlijk huis een vorst, uit al de stammen van Israel; en zij waren een ieder een hoofd van het huis hunner vaderen over de duizenden van Israel.

  • 24Dezen nu waren de hoofden hunner vaderlijke huizen, te weten: Hefer, en Jisei, en Eliel, en Azriel, en Jeremia, en Hodavja, en Jahdiel; mannen sterk van kracht, mannen van naam, hoofden der huizen hunner vaderen.

  • 9Dezen nu in geslachtsregisters gesteld zijnde, naar hun geslachten, hoofden der huizen hunner vaderen, kloeke helden, waren twintig duizend en tweehonderd.

  • 18Van de kinderen van Ruben, en van de Gadieten, en van den halven stam van Manasse, van de strijdbaarste mannen, schild en zwaard dragende, en den boog spannende, en ervaren in den krijg, waren vier en veertig duizend zevenhonderd en zestig, uitgaande in het heir.

  • 1En David monsterde het volk, dat met hem was; en hij stelde over hen oversten van duizenden, en oversten van honderden.

  • 69%

    3Het hoofd was Ahiezer, en Joas, zonen van Semaa, den Gibeathiet; daarna Jeziel en Pelet, zonen van Azmaveth, en Beracha, en Jehu, de Anathothiet.

    4En Jismaja, de Gibeoniet, was een held onder de dertig, en over dertig gesteld; en Jirmeja, en Jahaziel, en Johanan, en Jozabad, de Gederathiet;

  • 28En Zadok was een jongeling, een kloek held; en uit zijns vaders huis waren twee en twintig oversten;

  • 6Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en vijftig duizend en vierhonderd.

  • 69%

    20Toen hij naar Ziklag toog, vielen tot hem uit Manasse: Adnah, en Jozabad, en Jediael, en Michael, en Jozabad, en Elihu, en Zillethai; hoofden der duizenden, die in Manasse waren.

    21En dezen hielpen David mede tegen die benden; want alle dezen waren kloeke helden; en zij waren oversten in het heir.

  • 12Het gehele getal van de hoofden der vaderen, der strijdbare helden, was twee duizend en zeshonderd.

  • 20En over het heir van den stam der kinderen van Gad was Eljasaf, de zoon van Dehuel.

  • 48Toen traden tot Mozes de bevelhebbers, die over de duizenden des heirs waren, de hoofdlieden der duizenden, en de hoofdlieden der honderden;

  • 44Dezen zijn de getelden, welke Mozes geteld heeft, en Aaron, en de oversten van Israel; twaalf mannen waren zij, elk over het huis zijner vaderen.

  • 68%

    1Dit nu zijn de kinderen Israels naar hun getal, de hoofden der vaderen, en de oversten der duizenden en der honderden, met hun ambtlieden, den koning dienende in alle zaken der verdelingen, aangaande en afgaande van maand tot maand in al de maanden des jaars; elke verdeling was vier en twintig duizend.

    2Over de eerste verdeling in de eerste maand was Jasobam, de zoon van Zabdiel; en in zijn verdeling waren er vier en twintig duizend.

  • 19Zijn heir nu, en zijn getelden waren veertig duizend en vijfhonderd.

  • 23En over het heir van den stam der kinderen van Manasse was Gamaliel, de zoon van Pedazur.

  • 7Van de kinderen van Gersom was Joel overste, en van zijn broederen waren honderd en dertig.

  • 11Zijn heir nu, en zijn getelden waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.

  • 8Asa nu had een heir van driehonderd duizend uit Juda, rondas en spies dragende, en tweehonderd en tachtig duizend uit Benjamin, het schild dragende en den boog spannende; al dezen waren kloeke helden.