Numeri 2:28
Zijn heir nu, en zijn getelden waren een en veertig duizend en vijfhonderd.
Zijn heir nu, en zijn getelden waren een en veertig duizend en vijfhonderd.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
19Zijn heir nu, en zijn getelden waren veertig duizend en vijfhonderd.
11Zijn heir nu, en zijn getelden waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.
15Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.
16Al de getelden in het leger van Ruben waren honderd een en vijftig duizend vierhonderd en vijftig; naar hun heiren. En zij zullen de tweede optrekken.
4Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en zeventig duizend en zeshonderd.
5En nevens zal zich legeren de stam van Issaschar; en Nethaneel, de zoon van Zuar, zal de overste der zonen van Issaschar zijn.
6Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en vijftig duizend en vierhonderd.
7Daartoe de stam van Zebulon; en Eliab, de zoon van Helon, zal de overste der zonen van Zebulon zijn.
8Zijn heir nu, en zijn getelden waren zeven en vijftig duizend en vierhonderd.
9Al de getelden des legers van Juda waren honderd zes en tachtig duizend en vierhonderd, naar hun heiren. Zij zullen vooraan optrekken.
29Daartoe de stam van Nafthali; en Ahira, de zoon van Enan, zal de overste der zonen van Nafthali zijn.
30Zijn heir nu, en zijn getelden waren drie en vijftig duizend en vierhonderd.
31Al de getelden in het leger van Dan waren honderd zeven en vijftig duizend en zeshonderd. In het achterste zullen zij optrekken, naar hun banieren.
32Dezen zijn de getelden van de kinderen Israels, naar het huis hunner vaderen; al de getelden der legers, naar hun heiren waren, zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.
23Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en dertig duizend en vierhonderd.
24Al de getelden in het leger van Efraim waren honderd acht duizend en eenhonderd, naar hun heiren. En zij zullen de derde optrekken.
13Zijn heir nu, en zijn getelden waren negen en vijftig duizend en driehonderd.
21Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en dertig duizend en tweehonderd.
40Van de zonen van Aser, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
41Waren hun getelden van den stam van Aser een en veertig duizend en vijfhonderd.
42Van de zonen van Nafthali, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
43Waren hun getelden van den stam van Nafthali drie en vijftig duizend en vierhonderd.
26Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en zestig duizend en zevenhonderd.
27En nevens hem zal zich legeren de stam van Aser; en Pagiel, de zoon van Ochran, zal de overste der zonen van Aser zijn.
31Waren hun getelden van den stam van Zebulon zeven en vijftig duizend en vierhonderd.
32Van de zonen van Jozef: van de zonen van Efraim, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
33Waren hun getelden van den stam van Efraim veertig duizend en vijfhonderd;
25Waren hun getelden van den stam van Gad vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.
35Waren hun getelden van den stam van Manasse twee en dertig duizend en tweehonderd.
37Waren hun getelden van den stam van Benjamin vijf en dertig duizend en vierhonderd.
45Alzo waren al de getelden der zonen van Israel, naar het huis hunner vaderen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die in Israel ten heire uittrokken,
46Al de getelden dan waren zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.
28Van de zonen van Issaschar, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
29Waren hun getelden van den stam van Issaschar vier en vijftig duizend en vierhonderd.
21Hun getelden van den stam van Ruben waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.
5Alzo werden geleverd uit de duizenden van Israel, duizend van elken stam, twaalf duizend toegerusten ten strijde.
22Hun getelden in getal waren van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven; hun getelden waren zeven duizend en vijfhonderd.
18Van de kinderen van Ruben, en van de Gadieten, en van den halven stam van Manasse, van de strijdbaarste mannen, schild en zwaard dragende, en den boog spannende, en ervaren in den krijg, waren vier en veertig duizend zevenhonderd en zestig, uitgaande in het heir.
36En uit Aser, uitgaande in het heir, om krijgsorde te houden, waren veertig duizend;
51Dat zijn de getelden van de zonen Israels: zeshonderd een duizend zevenhonderd en dertig.
34En uit Nafthali, duizend oversten, en bij hen met rondas en spies, zeven en dertig duizend.
36Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, twee duizend zevenhonderd en vijftig.
26En over het heir van den stam der kinderen van Aser was Pagiel, de zoon van Ochran.
27En over het heir van den stam der kinderen van Nafthali was Ahira, de zoon van Enan.
28Dit waren de tochten der kinderen Israels, naar hun heiren, als zij reisden.
48Hun getelden waren acht duizend vijfhonderd en tachtig.
3Van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire in Israel uittrekken; die zult gij tellen naar hun heiren, gij en Aaron.
18Dat zijn de geslachten der zonen van Gad, naar hun getelden: veertig duizend en vijfhonderd.
40Deze allen waren kinderen van Aser, hoofden der vaderlijke huizen, uitgelezene kloeke helden, hoofden der vorsten; en zij werden in geslachtsregisters geteld ten heire in den krijg; hun getal was zes en twintig duizend mannen.
44Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, drie duizend en tweehonderd.