Numeri 2:4

Statenvertaling (States Bible)

Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en zeventig duizend en zeshonderd.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Num 1:27 : 27 Waren hun getelden van den stam van Juda vier en zeventig duizend en zeshonderd.
  • Num 26:22 : 22 Dat zijn de geslachten van Juda, naar hun getelden: zes en zeventig duizend en vijfhonderd.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Num 2:5-6
    2 verzen
    91%

    5En nevens zal zich legeren de stam van Issaschar; en Nethaneel, de zoon van Zuar, zal de overste der zonen van Issaschar zijn.

    6Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en vijftig duizend en vierhonderd.

  • 11Zijn heir nu, en zijn getelden waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.

  • Num 2:8-9
    2 verzen
    88%

    8Zijn heir nu, en zijn getelden waren zeven en vijftig duizend en vierhonderd.

    9Al de getelden des legers van Juda waren honderd zes en tachtig duizend en vierhonderd, naar hun heiren. Zij zullen vooraan optrekken.

  • Num 1:25-27
    3 verzen
    87%

    25Waren hun getelden van den stam van Gad vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.

    26Van de zonen van Juda, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

    27Waren hun getelden van den stam van Juda vier en zeventig duizend en zeshonderd.

  • 26Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en zestig duizend en zevenhonderd.

  • 13Zijn heir nu, en zijn getelden waren negen en vijftig duizend en driehonderd.

  • Num 2:15-16
    2 verzen
    85%

    15Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.

    16Al de getelden in het leger van Ruben waren honderd een en vijftig duizend vierhonderd en vijftig; naar hun heiren. En zij zullen de tweede optrekken.

  • 19Zijn heir nu, en zijn getelden waren veertig duizend en vijfhonderd.

  • Num 2:30-32
    3 verzen
    85%

    30Zijn heir nu, en zijn getelden waren drie en vijftig duizend en vierhonderd.

    31Al de getelden in het leger van Dan waren honderd zeven en vijftig duizend en zeshonderd. In het achterste zullen zij optrekken, naar hun banieren.

    32Dezen zijn de getelden van de kinderen Israels, naar het huis hunner vaderen; al de getelden der legers, naar hun heiren waren, zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.

  • Num 2:23-24
    2 verzen
    83%

    23Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en dertig duizend en vierhonderd.

    24Al de getelden in het leger van Efraim waren honderd acht duizend en eenhonderd, naar hun heiren. En zij zullen de derde optrekken.

  • 28Zijn heir nu, en zijn getelden waren een en veertig duizend en vijfhonderd.

  • 21Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en dertig duizend en tweehonderd.

  • 40Hun getelden waren, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, twee duizend zeshonderd en dertig.

  • 29Waren hun getelden van den stam van Issaschar vier en vijftig duizend en vierhonderd.

  • 24Van de kinderen van Juda, die rondassen en spiesen droegen, waren zes duizend en achthonderd toegerust ten heire;

  • 46Al de getelden dan waren zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.

  • 1 Kron 7:4-5
    2 verzen
    76%

    4En met hen naar hun geslachten, naar hun vaderlijke huizen, waren de hopen des krijgsheirs zes en dertig duizend; want zij hadden vele vrouwen en kinderen.

    5En hun broeders, in alle huisgezinnen van Issaschar, kloeke helden, waren zeven en tachtig duizend, al dezelve in geslachtsregisters gesteld zijnde.

  • 31Waren hun getelden van den stam van Zebulon zeven en vijftig duizend en vierhonderd.

  • 75%

    14Dit nu is hun telling, naar de huizen hunner vaderen. In Juda waren oversten der duizenden: Adna de overste, en met hem waren driehonderd duizend kloeke helden.

    15Naast hem nu was de overste Johanan; en met hem waren tweehonderd tachtig duizend;

  • 18Van de kinderen van Ruben, en van de Gadieten, en van den halven stam van Manasse, van de strijdbaarste mannen, schild en zwaard dragende, en den boog spannende, en ervaren in den krijg, waren vier en veertig duizend zevenhonderd en zestig, uitgaande in het heir.

  • 43Al de geslachten der Suhamieten, naar hun getelden, waren vier en zestig duizend en vierhonderd.

  • 34En hun getelden in getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren zes duizend en tweehonderd.

  • 22Dat zijn de geslachten van Juda, naar hun getelden: zes en zeventig duizend en vijfhonderd.

  • 51Dat zijn de getelden van de zonen Israels: zeshonderd een duizend zevenhonderd en dertig.

  • 5En Joab gaf David de som van het gestelde volk; en gans Israel was elfhonderd duizend man, die het zwaard uittrokken, en Juda vierhonderd duizend, en zeventig duizend man, die het zwaard uittrokken.

  • 44Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, drie duizend en tweehonderd.

  • 39Waren hun getelden van den stam van Dan twee en zestig duizend en zevenhonderd.

  • 25Dat zijn de geslachten van Issaschar, naar hun getelden: vier en zestig duizend en driehonderd.

  • 12Het gehele getal van de hoofden der vaderen, der strijdbare helden, was twee duizend en zeshonderd.

  • 48Hun getelden waren acht duizend vijfhonderd en tachtig.

  • 8Asa nu had een heir van driehonderd duizend uit Juda, rondas en spies dragende, en tweehonderd en tachtig duizend uit Benjamin, het schild dragende en den boog spannende; al dezen waren kloeke helden.

  • 18En naast hem was Jozabad; en met hem waren honderd en tachtig duizend, ten krijge toegerust.

  • 26Van de kinderen van Levi, vier duizend en zeshonderd;

  • 21Hun getelden van den stam van Ruben waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.

  • 13Omtrent veertig duizend toegeruste krijgsmannen trokken er voor het aangezicht des HEEREN ten strijde, naar de vlakke velden van Jericho.

  • 3Die zich nu legeren zullen oostwaarts tegen den opgang, zal zijn de banier des legers van Juda, naar hun heiren; en Nahesson, de zoon van Amminadab, zal de overste der zonen van Juda zijn.

  • 35Waren hun getelden van den stam van Manasse twee en dertig duizend en tweehonderd.

  • 27Dat zijn de geslachten der Zebulonieten, naar hun getelden: zestig duizend en vijfhonderd.

  • 28In getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren acht duizend en zeshonderd, waarnemende de wacht des heiligdoms.