Numeri 2:23

Statenvertaling (States Bible)

Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en dertig duizend en vierhonderd.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Num 1:37 : 37 Waren hun getelden van den stam van Benjamin vijf en dertig duizend en vierhonderd.
  • Num 26:41 : 41 Dat zijn de zonen van Benjamin, naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend en zeshonderd.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Num 2:30-32
    3 verzen
    90%

    30Zijn heir nu, en zijn getelden waren drie en vijftig duizend en vierhonderd.

    31Al de getelden in het leger van Dan waren honderd zeven en vijftig duizend en zeshonderd. In het achterste zullen zij optrekken, naar hun banieren.

    32Dezen zijn de getelden van de kinderen Israels, naar het huis hunner vaderen; al de getelden der legers, naar hun heiren waren, zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.

  • Num 2:21-22
    2 verzen
    89%

    21Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en dertig duizend en tweehonderd.

    22Daartoe de stam van Benjamin; en Abidan, de zoon van Gideoni, zal de overste der zonen van Benjamin zijn.

  • 19Zijn heir nu, en zijn getelden waren veertig duizend en vijfhonderd.

  • 6Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en vijftig duizend en vierhonderd.

  • Num 2:15-16
    2 verzen
    88%

    15Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.

    16Al de getelden in het leger van Ruben waren honderd een en vijftig duizend vierhonderd en vijftig; naar hun heiren. En zij zullen de tweede optrekken.

  • Num 2:8-9
    2 verzen
    88%

    8Zijn heir nu, en zijn getelden waren zeven en vijftig duizend en vierhonderd.

    9Al de getelden des legers van Juda waren honderd zes en tachtig duizend en vierhonderd, naar hun heiren. Zij zullen vooraan optrekken.

  • 28Zijn heir nu, en zijn getelden waren een en veertig duizend en vijfhonderd.

  • 11Zijn heir nu, en zijn getelden waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.

  • Num 1:35-37
    3 verzen
    87%

    35Waren hun getelden van den stam van Manasse twee en dertig duizend en tweehonderd.

    36Van de zonen van Benjamin, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

    37Waren hun getelden van den stam van Benjamin vijf en dertig duizend en vierhonderd.

  • 13Zijn heir nu, en zijn getelden waren negen en vijftig duizend en driehonderd.

  • 4Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en zeventig duizend en zeshonderd.

  • 26Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en zestig duizend en zevenhonderd.

  • Num 1:31-33
    3 verzen
    81%

    31Waren hun getelden van den stam van Zebulon zeven en vijftig duizend en vierhonderd.

    32Van de zonen van Jozef: van de zonen van Efraim, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

    33Waren hun getelden van den stam van Efraim veertig duizend en vijfhonderd;

  • 24Al de getelden in het leger van Efraim waren honderd acht duizend en eenhonderd, naar hun heiren. En zij zullen de derde optrekken.

  • 25Waren hun getelden van den stam van Gad vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.

  • 41Dat zijn de zonen van Benjamin, naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend en zeshonderd.

  • Num 1:45-46
    2 verzen
    78%

    45Alzo waren al de getelden der zonen van Israel, naar het huis hunner vaderen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die in Israel ten heire uittrokken,

    46Al de getelden dan waren zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.

  • 18Van de kinderen van Ruben, en van de Gadieten, en van den halven stam van Manasse, van de strijdbaarste mannen, schild en zwaard dragende, en den boog spannende, en ervaren in den krijg, waren vier en veertig duizend zevenhonderd en zestig, uitgaande in het heir.

  • 17En de mannen van Israel werden geteld, behalve Benjamin, vierhonderd duizend mannen, die het zwaard uittrokken; deze allen waren mannen van oorlog.

  • 15En de kinderen van Benjamin werden te dien dage geteld uit de steden, zes en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken, behalve dat de inwoners van Gibea geteld werden, zevenhonderd uitgelezene mannen.

  • 29Waren hun getelden van den stam van Issaschar vier en vijftig duizend en vierhonderd.

  • 36En de helft, te weten het deel dergenen, die tot dezen krijg uitgetogen waren, was in getal driehonderd zeven en dertig duizend en vijfhonderd schapen.

  • 9Dezen nu in geslachtsregisters gesteld zijnde, naar hun geslachten, hoofden der huizen hunner vaderen, kloeke helden, waren twintig duizend en tweehonderd.

  • 36Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, twee duizend zevenhonderd en vijftig.

  • 44Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, drie duizend en tweehonderd.

  • 2En uit de hoeken des gansen volks stelden zich al de stammen van Israel in de vergadering van het volk Gods, vierhonderd duizend man te voet, die het zwaard uittrokken.

  • 43Waren hun getelden van den stam van Nafthali drie en vijftig duizend en vierhonderd.

  • 22Hun getelden in getal waren van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven; hun getelden waren zeven duizend en vijfhonderd.

  • 40Hun getelden waren, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, twee duizend zeshonderd en dertig.

  • 34En uit Nafthali, duizend oversten, en bij hen met rondas en spies, zeven en dertig duizend.

  • 15Toen telde hij de jongens van de oversten der landschappen, en zij waren tweehonderd twee en dertig; en na hen telde hij al het volk, al de kinderen Israels, zeven duizend.

  • 51Dat zijn de getelden van de zonen Israels: zeshonderd een duizend zevenhonderd en dertig.

  • 9En Joab gaf de som van het getelde volk aan den koning; en in Israel waren achthonderd duizend strijdbare mannen, die het zwaard uittrokken, en de mannen van Juda waren vijfhonderd duizend man.

  • 5En Joab gaf David de som van het gestelde volk; en gans Israel was elfhonderd duizend man, die het zwaard uittrokken, en Juda vierhonderd duizend, en zeventig duizend man, die het zwaard uittrokken.

  • 21Hun getelden van den stam van Ruben waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.

  • 17En uit Benjamin was Eljada, een kloek held; en met hem tweehonderd duizend, die met boog en schild gewapend waren.

  • 30En van de kinderen van Efraim, twintig duizend en achthonderd, kloeke helden, mannen van naam in het huis hunner vaderen;

  • 8Asa nu had een heir van driehonderd duizend uit Juda, rondas en spies dragende, en tweehonderd en tachtig duizend uit Benjamin, het schild dragende en den boog spannende; al dezen waren kloeke helden.

  • 5Alzo werden geleverd uit de duizenden van Israel, duizend van elken stam, twaalf duizend toegerusten ten strijde.

  • 23Hun getelden van den stam van Simeon waren negen en vijftig duizend en driehonderd.