Numeri 2:6
Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en vijftig duizend en vierhonderd.
Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en vijftig duizend en vierhonderd.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
7Daartoe de stam van Zebulon; en Eliab, de zoon van Helon, zal de overste der zonen van Zebulon zijn.
8Zijn heir nu, en zijn getelden waren zeven en vijftig duizend en vierhonderd.
9Al de getelden des legers van Juda waren honderd zes en tachtig duizend en vierhonderd, naar hun heiren. Zij zullen vooraan optrekken.
4Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en zeventig duizend en zeshonderd.
5En nevens zal zich legeren de stam van Issaschar; en Nethaneel, de zoon van Zuar, zal de overste der zonen van Issaschar zijn.
11Zijn heir nu, en zijn getelden waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.
12En nevens hem zal zich legeren de stam van Simeon; en Selumiel, de zoon van Zurisaddai, zal de overste der zonen van Simeon zijn.
13Zijn heir nu, en zijn getelden waren negen en vijftig duizend en driehonderd.
28Zijn heir nu, en zijn getelden waren een en veertig duizend en vijfhonderd.
29Daartoe de stam van Nafthali; en Ahira, de zoon van Enan, zal de overste der zonen van Nafthali zijn.
30Zijn heir nu, en zijn getelden waren drie en vijftig duizend en vierhonderd.
31Al de getelden in het leger van Dan waren honderd zeven en vijftig duizend en zeshonderd. In het achterste zullen zij optrekken, naar hun banieren.
32Dezen zijn de getelden van de kinderen Israels, naar het huis hunner vaderen; al de getelden der legers, naar hun heiren waren, zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.
23Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en dertig duizend en vierhonderd.
24Al de getelden in het leger van Efraim waren honderd acht duizend en eenhonderd, naar hun heiren. En zij zullen de derde optrekken.
15Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.
16Al de getelden in het leger van Ruben waren honderd een en vijftig duizend vierhonderd en vijftig; naar hun heiren. En zij zullen de tweede optrekken.
19Zijn heir nu, en zijn getelden waren veertig duizend en vijfhonderd.
27Waren hun getelden van den stam van Juda vier en zeventig duizend en zeshonderd.
28Van de zonen van Issaschar, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
29Waren hun getelden van den stam van Issaschar vier en vijftig duizend en vierhonderd.
30Van de zonen van Zebulon, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
31Waren hun getelden van den stam van Zebulon zeven en vijftig duizend en vierhonderd.
21Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en dertig duizend en tweehonderd.
26Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en zestig duizend en zevenhonderd.
46Al de getelden dan waren zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.
33Waren hun getelden van den stam van Efraim veertig duizend en vijfhonderd;
37Waren hun getelden van den stam van Benjamin vijf en dertig duizend en vierhonderd.
43Waren hun getelden van den stam van Nafthali drie en vijftig duizend en vierhonderd.
25Waren hun getelden van den stam van Gad vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.
44Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, drie duizend en tweehonderd.
18Van de kinderen van Ruben, en van de Gadieten, en van den halven stam van Manasse, van de strijdbaarste mannen, schild en zwaard dragende, en den boog spannende, en ervaren in den krijg, waren vier en veertig duizend zevenhonderd en zestig, uitgaande in het heir.
21Hun getelden van den stam van Ruben waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.
40Hun getelden waren, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, twee duizend zeshonderd en dertig.
50Dat zijn de geslachten van Nafthali, naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend en vierhonderd.
51Dat zijn de getelden van de zonen Israels: zeshonderd een duizend zevenhonderd en dertig.
36Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, twee duizend zevenhonderd en vijftig.
48Hun getelden waren acht duizend vijfhonderd en tachtig.
35Waren hun getelden van den stam van Manasse twee en dertig duizend en tweehonderd.
34En hun getelden in getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren zes duizend en tweehonderd.
4En met hen naar hun geslachten, naar hun vaderlijke huizen, waren de hopen des krijgsheirs zes en dertig duizend; want zij hadden vele vrouwen en kinderen.
5En hun broeders, in alle huisgezinnen van Issaschar, kloeke helden, waren zeven en tachtig duizend, al dezelve in geslachtsregisters gesteld zijnde.
25Dat zijn de geslachten van Issaschar, naar hun getelden: vier en zestig duizend en driehonderd.
5Alzo werden geleverd uit de duizenden van Israel, duizend van elken stam, twaalf duizend toegerusten ten strijde.
26Van de kinderen van Levi, vier duizend en zeshonderd;
34En uit Nafthali, duizend oversten, en bij hen met rondas en spies, zeven en dertig duizend.
27Dat zijn de geslachten der Zebulonieten, naar hun getelden: zestig duizend en vijfhonderd.
13Omtrent veertig duizend toegeruste krijgsmannen trokken er voor het aangezicht des HEEREN ten strijde, naar de vlakke velden van Jericho.
2En uit de hoeken des gansen volks stelden zich al de stammen van Israel in de vergadering van het volk Gods, vierhonderd duizend man te voet, die het zwaard uittrokken.
41Waren hun getelden van den stam van Aser een en veertig duizend en vijfhonderd.