Numeri 1:46
Al de getelden dan waren zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.
Al de getelden dan waren zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
32Dezen zijn de getelden van de kinderen Israels, naar het huis hunner vaderen; al de getelden der legers, naar hun heiren waren, zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.
51Dat zijn de getelden van de zonen Israels: zeshonderd een duizend zevenhonderd en dertig.
52En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
45Alzo waren al de getelden der zonen van Israel, naar het huis hunner vaderen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die in Israel ten heire uittrokken,
11Zijn heir nu, en zijn getelden waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.
25Waren hun getelden van den stam van Gad vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.
26Van de zonen van Juda, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
27Waren hun getelden van den stam van Juda vier en zeventig duizend en zeshonderd.
15Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.
16Al de getelden in het leger van Ruben waren honderd een en vijftig duizend vierhonderd en vijftig; naar hun heiren. En zij zullen de tweede optrekken.
21Hun getelden van den stam van Ruben waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.
36Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, twee duizend zevenhonderd en vijftig.
40Hun getelden waren, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, twee duizend zeshonderd en dertig.
48Hun getelden waren acht duizend vijfhonderd en tachtig.
33Waren hun getelden van den stam van Efraim veertig duizend en vijfhonderd;
31Waren hun getelden van den stam van Zebulon zeven en vijftig duizend en vierhonderd.
34En hun getelden in getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren zes duizend en tweehonderd.
22Hun getelden in getal waren van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven; hun getelden waren zeven duizend en vijfhonderd.
37Waren hun getelden van den stam van Benjamin vijf en dertig duizend en vierhonderd.
6Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en vijftig duizend en vierhonderd.
36En de helft, te weten het deel dergenen, die tot dezen krijg uitgetogen waren, was in getal driehonderd zeven en dertig duizend en vijfhonderd schapen.
44Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, drie duizend en tweehonderd.
46Al de getelden, welke Mozes en Aaron, en de oversten van Israel geteld hebben van de Levieten, naar hun geslachten, en naar het huis hunner vaderen,
23Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en dertig duizend en vierhonderd.
46En der mensen zielen zestien duizend;)
47Maar de Levieten, naar den stam hunner vaderen, werden onder hen niet geteld.
35Waren hun getelden van den stam van Manasse twee en dertig duizend en tweehonderd.
30Zijn heir nu, en zijn getelden waren drie en vijftig duizend en vierhonderd.
37Alzo reisden de kinderen Israels uit van Rameses naar Sukkoth, omtrent zeshonderd duizend te voet, mannen alleen, behalve de kinderkens.
19Gelijk als de HEERE Mozes geboden had, zo heeft hij hen geteld in de woestijn van Sinai.
43En alle eerstgeborenen, die mannelijk waren, in het getal der namen, van een maand oud en daarboven, naar hun getelden, waren twee en twintig duizend tweehonderd en drie en zeventig.
23Hun getelden van den stam van Simeon waren negen en vijftig duizend en driehonderd.
19Zijn heir nu, en zijn getelden waren veertig duizend en vijfhonderd.
8Zijn heir nu, en zijn getelden waren zeven en vijftig duizend en vierhonderd.
9Al de getelden des legers van Juda waren honderd zes en tachtig duizend en vierhonderd, naar hun heiren. Zij zullen vooraan optrekken.
28Zijn heir nu, en zijn getelden waren een en veertig duizend en vijfhonderd.
2Neem op de som van de gehele vergadering der kinderen Israels, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van al wat mannelijk is, hoofd voor hoofd.
3Van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire in Israel uittrekken; die zult gij tellen naar hun heiren, gij en Aaron.
43Waren hun getelden van den stam van Nafthali drie en vijftig duizend en vierhonderd.
43(Het halve deel nu der vergadering was, uit de schapen, driehonderd zeven en dertig duizend en vijfhonderd;
4Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en zeventig duizend en zeshonderd.
41Waren hun getelden van den stam van Aser een en veertig duizend en vijfhonderd.
29Waren hun getelden van den stam van Issaschar vier en vijftig duizend en vierhonderd.
26Een beka voor elk hoofd, dat is een halve sikkel, naar den sikkel des heiligdoms, van een ieder, die overging tot de getelden, van twintig jaren oud en daarboven, namelijk zeshonderd drie duizend, vijfhonderd vijftig.
27Dat zijn de geslachten der Zebulonieten, naar hun getelden: zestig duizend en vijfhonderd.
41Dat zijn de zonen van Benjamin, naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend en zeshonderd.
5En Joab gaf David de som van het gestelde volk; en gans Israel was elfhonderd duizend man, die het zwaard uittrokken, en Juda vierhonderd duizend, en zeventig duizend man, die het zwaard uittrokken.
13Zijn heir nu, en zijn getelden waren negen en vijftig duizend en driehonderd.