Numeri 2:32
Dezen zijn de getelden van de kinderen Israels, naar het huis hunner vaderen; al de getelden der legers, naar hun heiren waren, zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.
Dezen zijn de getelden van de kinderen Israels, naar het huis hunner vaderen; al de getelden der legers, naar hun heiren waren, zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
45Alzo waren al de getelden der zonen van Israel, naar het huis hunner vaderen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die in Israel ten heire uittrokken,
46Al de getelden dan waren zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.
11Zijn heir nu, en zijn getelden waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.
15Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.
16Al de getelden in het leger van Ruben waren honderd een en vijftig duizend vierhonderd en vijftig; naar hun heiren. En zij zullen de tweede optrekken.
51Dat zijn de getelden van de zonen Israels: zeshonderd een duizend zevenhonderd en dertig.
52En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
30Zijn heir nu, en zijn getelden waren drie en vijftig duizend en vierhonderd.
31Al de getelden in het leger van Dan waren honderd zeven en vijftig duizend en zeshonderd. In het achterste zullen zij optrekken, naar hun banieren.
23Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en dertig duizend en vierhonderd.
24Al de getelden in het leger van Efraim waren honderd acht duizend en eenhonderd, naar hun heiren. En zij zullen de derde optrekken.
6Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en vijftig duizend en vierhonderd.
26Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en zestig duizend en zevenhonderd.
8Zijn heir nu, en zijn getelden waren zeven en vijftig duizend en vierhonderd.
9Al de getelden des legers van Juda waren honderd zes en tachtig duizend en vierhonderd, naar hun heiren. Zij zullen vooraan optrekken.
13Zijn heir nu, en zijn getelden waren negen en vijftig duizend en driehonderd.
19Zijn heir nu, en zijn getelden waren veertig duizend en vijfhonderd.
34En hun getelden in getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren zes duizend en tweehonderd.
35Waren hun getelden van den stam van Manasse twee en dertig duizend en tweehonderd.
21Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en dertig duizend en tweehonderd.
40Hun getelden waren, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, twee duizend zeshonderd en dertig.
4Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en zeventig duizend en zeshonderd.
28Zijn heir nu, en zijn getelden waren een en veertig duizend en vijfhonderd.
22Hun getelden in getal waren van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven; hun getelden waren zeven duizend en vijfhonderd.
36Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, twee duizend zevenhonderd en vijftig.
25Waren hun getelden van den stam van Gad vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.
44Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, drie duizend en tweehonderd.
37Waren hun getelden van den stam van Benjamin vijf en dertig duizend en vierhonderd.
31Waren hun getelden van den stam van Zebulon zeven en vijftig duizend en vierhonderd.
32Van de zonen van Jozef: van de zonen van Efraim, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
33Waren hun getelden van den stam van Efraim veertig duizend en vijfhonderd;
39Waren hun getelden van den stam van Dan twee en zestig duizend en zevenhonderd.
39Alle getelden der Levieten, welke Mozes en Aaron, op het bevel des HEEREN, naar hun geslachten, geteld hebben, al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren twee en twintig duizend.
2Neem op de som van de gehele vergadering der kinderen Israels, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van al wat mannelijk is, hoofd voor hoofd.
37Alzo reisden de kinderen Israels uit van Rameses naar Sukkoth, omtrent zeshonderd duizend te voet, mannen alleen, behalve de kinderkens.
33Maar de Levieten werden niet geteld onder de zonen van Israel, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.
43En alle eerstgeborenen, die mannelijk waren, in het getal der namen, van een maand oud en daarboven, naar hun getelden, waren twee en twintig duizend tweehonderd en drie en zeventig.
21Hun getelden van den stam van Ruben waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.
27Dat zijn de geslachten der Zebulonieten, naar hun getelden: zestig duizend en vijfhonderd.
36En de helft, te weten het deel dergenen, die tot dezen krijg uitgetogen waren, was in getal driehonderd zeven en dertig duizend en vijfhonderd schapen.
62En hun getelden waren drie en twintig duizend, al wat mannelijk is, van een maand oud en daarboven; want dezen werden niet geteld onder de kinderen Israels, omdat hun geen erfenis gegeven werd onder de kinderen Israels.
23Hun getelden van den stam van Simeon waren negen en vijftig duizend en driehonderd.
9Dezen nu in geslachtsregisters gesteld zijnde, naar hun geslachten, hoofden der huizen hunner vaderen, kloeke helden, waren twintig duizend en tweehonderd.
48Hun getelden waren acht duizend vijfhonderd en tachtig.
29Waren hun getelden van den stam van Issaschar vier en vijftig duizend en vierhonderd.
15Toen telde hij de jongens van de oversten der landschappen, en zij waren tweehonderd twee en dertig; en na hen telde hij al het volk, al de kinderen Israels, zeven duizend.
37Dat zijn de geslachten der zonen van Efraim, naar hun getelden: twee en dertig duizend en vijfhonderd. Dat zijn de zonen van Jozef, naar hun geslachten.
27Waren hun getelden van den stam van Juda vier en zeventig duizend en zeshonderd.