Numeri 1:29

Statenvertaling (States Bible)

Waren hun getelden van den stam van Issaschar vier en vijftig duizend en vierhonderd.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Num 26:25 : 25 Dat zijn de geslachten van Issaschar, naar hun getelden: vier en zestig duizend en driehonderd.
  • Num 2:6 : 6 Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en vijftig duizend en vierhonderd.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Num 1:25-28
    4 verzen
    86%

    25Waren hun getelden van den stam van Gad vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.

    26Van de zonen van Juda, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

    27Waren hun getelden van den stam van Juda vier en zeventig duizend en zeshonderd.

    28Van de zonen van Issaschar, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

  • Num 2:4-6
    3 verzen
    85%

    4Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en zeventig duizend en zeshonderd.

    5En nevens zal zich legeren de stam van Issaschar; en Nethaneel, de zoon van Zuar, zal de overste der zonen van Issaschar zijn.

    6Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en vijftig duizend en vierhonderd.

  • Num 1:30-33
    4 verzen
    84%

    30Van de zonen van Zebulon, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

    31Waren hun getelden van den stam van Zebulon zeven en vijftig duizend en vierhonderd.

    32Van de zonen van Jozef: van de zonen van Efraim, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

    33Waren hun getelden van den stam van Efraim veertig duizend en vijfhonderd;

  • 25Dat zijn de geslachten van Issaschar, naar hun getelden: vier en zestig duizend en driehonderd.

  • 1 Kron 7:4-5
    2 verzen
    81%

    4En met hen naar hun geslachten, naar hun vaderlijke huizen, waren de hopen des krijgsheirs zes en dertig duizend; want zij hadden vele vrouwen en kinderen.

    5En hun broeders, in alle huisgezinnen van Issaschar, kloeke helden, waren zeven en tachtig duizend, al dezelve in geslachtsregisters gesteld zijnde.

  • 37Waren hun getelden van den stam van Benjamin vijf en dertig duizend en vierhonderd.

  • Num 1:39-46
    8 verzen
    79%

    39Waren hun getelden van den stam van Dan twee en zestig duizend en zevenhonderd.

    40Van de zonen van Aser, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

    41Waren hun getelden van den stam van Aser een en veertig duizend en vijfhonderd.

    42Van de zonen van Nafthali, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

    43Waren hun getelden van den stam van Nafthali drie en vijftig duizend en vierhonderd.

    44Dezen zijn de getelden, welke Mozes geteld heeft, en Aaron, en de oversten van Israel; twaalf mannen waren zij, elk over het huis zijner vaderen.

    45Alzo waren al de getelden der zonen van Israel, naar het huis hunner vaderen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die in Israel ten heire uittrokken,

    46Al de getelden dan waren zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.

  • Num 2:8-9
    2 verzen
    78%

    8Zijn heir nu, en zijn getelden waren zeven en vijftig duizend en vierhonderd.

    9Al de getelden des legers van Juda waren honderd zes en tachtig duizend en vierhonderd, naar hun heiren. Zij zullen vooraan optrekken.

  • 30Zijn heir nu, en zijn getelden waren drie en vijftig duizend en vierhonderd.

  • 21Hun getelden van den stam van Ruben waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.

  • 23Hun getelden van den stam van Simeon waren negen en vijftig duizend en driehonderd.

  • 23Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en dertig duizend en vierhonderd.

  • 35Waren hun getelden van den stam van Manasse twee en dertig duizend en tweehonderd.

  • 28Zijn heir nu, en zijn getelden waren een en veertig duizend en vijfhonderd.

  • 48Hun getelden waren acht duizend vijfhonderd en tachtig.

  • 44Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, drie duizend en tweehonderd.

  • 18Van de kinderen van Ruben, en van de Gadieten, en van den halven stam van Manasse, van de strijdbaarste mannen, schild en zwaard dragende, en den boog spannende, en ervaren in den krijg, waren vier en veertig duizend zevenhonderd en zestig, uitgaande in het heir.

  • 32En van de kinderen van Issaschar, die ervaren waren in het verstand van de tijden, om te weten wat Israel doen moest; hun hoofden waren tweehonderd, en alle hun broeders pasten op hun woord;

  • 13Zijn heir nu, en zijn getelden waren negen en vijftig duizend en driehonderd.

  • 32Dezen zijn de getelden van de kinderen Israels, naar het huis hunner vaderen; al de getelden der legers, naar hun heiren waren, zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.

  • 40Hun getelden waren, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, twee duizend zeshonderd en dertig.

  • 7Uit het geslacht van Simeon waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Levi waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Issaschar waren twaalf duizend verzegeld;

  • 11Zijn heir nu, en zijn getelden waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.

  • Num 26:50-51
    2 verzen
    74%

    50Dat zijn de geslachten van Nafthali, naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend en vierhonderd.

    51Dat zijn de getelden van de zonen Israels: zeshonderd een duizend zevenhonderd en dertig.

  • 17Het vierde lot ging uit voor Issaschar, voor de kinderen van Issaschar, naar hun huisgezinnen.

  • 19Zijn heir nu, en zijn getelden waren veertig duizend en vijfhonderd.

  • 36Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, twee duizend zevenhonderd en vijftig.

  • 15Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.

  • Num 31:4-5
    2 verzen
    73%

    4Van elken stam onder alle stammen Israels zult gij een duizend ten strijde zenden.

    5Alzo werden geleverd uit de duizenden van Israel, duizend van elken stam, twaalf duizend toegerusten ten strijde.

  • 1De kinderen van Issaschar waren Thola en Pua, Jasib en Simron; vier.

  • 73%

    3Issaschar, Zebulon, en Benjamin;