Numeri 2:30

Statenvertaling (States Bible)

Zijn heir nu, en zijn getelden waren drie en vijftig duizend en vierhonderd.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Num 1:42-43 : 42 Van de zonen van Nafthali, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken, 43 Waren hun getelden van den stam van Nafthali drie en vijftig duizend en vierhonderd.
  • Num 26:50 : 50 Dat zijn de geslachten van Nafthali, naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend en vierhonderd.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Num 2:4-6
    3 verzen
    90%

    4Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en zeventig duizend en zeshonderd.

    5En nevens zal zich legeren de stam van Issaschar; en Nethaneel, de zoon van Zuar, zal de overste der zonen van Issaschar zijn.

    6Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en vijftig duizend en vierhonderd.

  • Num 2:23-26
    4 verzen
    90%

    23Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en dertig duizend en vierhonderd.

    24Al de getelden in het leger van Efraim waren honderd acht duizend en eenhonderd, naar hun heiren. En zij zullen de derde optrekken.

    25De banier des legers van Dan zal tegen het noorden zijn, naar hun heiren; en Ahiezer, de zoon van Ammisaddai, zal de overste der zonen van Dan zijn.

    26Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en zestig duizend en zevenhonderd.

  • 13Zijn heir nu, en zijn getelden waren negen en vijftig duizend en driehonderd.

  • Num 2:8-9
    2 verzen
    88%

    8Zijn heir nu, en zijn getelden waren zeven en vijftig duizend en vierhonderd.

    9Al de getelden des legers van Juda waren honderd zes en tachtig duizend en vierhonderd, naar hun heiren. Zij zullen vooraan optrekken.

  • Num 2:28-29
    2 verzen
    88%

    28Zijn heir nu, en zijn getelden waren een en veertig duizend en vijfhonderd.

    29Daartoe de stam van Nafthali; en Ahira, de zoon van Enan, zal de overste der zonen van Nafthali zijn.

  • 11Zijn heir nu, en zijn getelden waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.

  • 19Zijn heir nu, en zijn getelden waren veertig duizend en vijfhonderd.

  • 21Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en dertig duizend en tweehonderd.

  • Num 2:15-16
    2 verzen
    86%

    15Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.

    16Al de getelden in het leger van Ruben waren honderd een en vijftig duizend vierhonderd en vijftig; naar hun heiren. En zij zullen de tweede optrekken.

  • Num 1:41-43
    3 verzen
    85%

    41Waren hun getelden van den stam van Aser een en veertig duizend en vijfhonderd.

    42Van de zonen van Nafthali, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

    43Waren hun getelden van den stam van Nafthali drie en vijftig duizend en vierhonderd.

  • Num 2:31-32
    2 verzen
    82%

    31Al de getelden in het leger van Dan waren honderd zeven en vijftig duizend en zeshonderd. In het achterste zullen zij optrekken, naar hun banieren.

    32Dezen zijn de getelden van de kinderen Israels, naar het huis hunner vaderen; al de getelden der legers, naar hun heiren waren, zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.

  • Num 1:37-39
    3 verzen
    79%

    37Waren hun getelden van den stam van Benjamin vijf en dertig duizend en vierhonderd.

    38Van de zonen van Dan, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

    39Waren hun getelden van den stam van Dan twee en zestig duizend en zevenhonderd.

  • Num 1:29-33
    5 verzen
    79%

    29Waren hun getelden van den stam van Issaschar vier en vijftig duizend en vierhonderd.

    30Van de zonen van Zebulon, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

    31Waren hun getelden van den stam van Zebulon zeven en vijftig duizend en vierhonderd.

    32Van de zonen van Jozef: van de zonen van Efraim, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

    33Waren hun getelden van den stam van Efraim veertig duizend en vijfhonderd;

  • 78%

    33Uit Zebulon, uitgaande in het heir, toegerust ten strijde met alle krijgswapenen, vijftig duizend; en om een slagorde te houden met een onwankelbaar hart;

    34En uit Nafthali, duizend oversten, en bij hen met rondas en spies, zeven en dertig duizend.

    35En uit de Danieten, ten strijde toegerust, acht en twintig duizend en zeshonderd;

  • 35Waren hun getelden van den stam van Manasse twee en dertig duizend en tweehonderd.

  • 46Al de getelden dan waren zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.

  • 44Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, drie duizend en tweehonderd.

  • 25Waren hun getelden van den stam van Gad vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.

  • Num 26:50-51
    2 verzen
    75%

    50Dat zijn de geslachten van Nafthali, naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend en vierhonderd.

    51Dat zijn de getelden van de zonen Israels: zeshonderd een duizend zevenhonderd en dertig.

  • 40Hun getelden waren, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, twee duizend zeshonderd en dertig.

  • 23Hun getelden van den stam van Simeon waren negen en vijftig duizend en driehonderd.

  • 18Van de kinderen van Ruben, en van de Gadieten, en van den halven stam van Manasse, van de strijdbaarste mannen, schild en zwaard dragende, en den boog spannende, en ervaren in den krijg, waren vier en veertig duizend zevenhonderd en zestig, uitgaande in het heir.

  • 36Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, twee duizend zevenhonderd en vijftig.

  • 27Waren hun getelden van den stam van Juda vier en zeventig duizend en zeshonderd.

  • 47Dat zijn de geslachten der zonen van Aser, naar hun getelden: drie en vijftig duizend en vierhonderd.

  • 36En de helft, te weten het deel dergenen, die tot dezen krijg uitgetogen waren, was in getal driehonderd zeven en dertig duizend en vijfhonderd schapen.

  • 21Hun getelden van den stam van Ruben waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.

  • 34En hun getelden in getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren zes duizend en tweehonderd.

  • 43(Het halve deel nu der vergadering was, uit de schapen, driehonderd zeven en dertig duizend en vijfhonderd;

  • 25Toen toog op de banier van het leger der kinderen van Dan, samensluitende al de legers, naar hun heiren; en over zijn heir was Ahiezer de zoon van Ammisaddai.