Numeri 26:47
Dat zijn de geslachten der zonen van Aser, naar hun getelden: drie en vijftig duizend en vierhonderd.
Dat zijn de geslachten der zonen van Aser, naar hun getelden: drie en vijftig duizend en vierhonderd.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
40Van de zonen van Aser, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
41Waren hun getelden van den stam van Aser een en veertig duizend en vijfhonderd.
40Deze allen waren kinderen van Aser, hoofden der vaderlijke huizen, uitgelezene kloeke helden, hoofden der vorsten; en zij werden in geslachtsregisters geteld ten heire in den krijg; hun getal was zes en twintig duizend mannen.
43Al de geslachten der Suhamieten, naar hun getelden, waren vier en zestig duizend en vierhonderd.
44De zonen van Aser, naar hun geslachten, waren: van Imna het geslacht der Imnaieten; van Isvi het geslacht der Isvieten; van Beria het geslacht der Beriieten.
45Van de zonen van Beria waren: van Heber het geslacht der Heberieten; van Malchiel het geslacht der Malchielieten.
46En de naam der dochter van Aser was Serah.
17En de zonen van Aser: Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Berija, en Sera, hun zuster; en de zonen van Berija: Heber en Malchiel.
36En uit Aser, uitgaande in het heir, om krijgsorde te houden, waren veertig duizend;
30De kinderen van Aser waren Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Beria, en Sera, hunlieder zuster.
43Waren hun getelden van den stam van Nafthali drie en vijftig duizend en vierhonderd.
24Van Jasub het geslacht der Jasubieten; van Simron het geslacht der Simronieten.
25Dat zijn de geslachten van Issaschar, naar hun getelden: vier en zestig duizend en driehonderd.
31Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Aser, naar hun huisgezinnen, deze steden en haar dorpen.
7Dit zijn de geslachten der Rubenieten; en hun getelden waren drie en veertig duizend zevenhonderd en dertig.
27Dat zijn de geslachten der Zebulonieten, naar hun getelden: zestig duizend en vijfhonderd.
30Zijn heir nu, en zijn getelden waren drie en vijftig duizend en vierhonderd.
50Dat zijn de geslachten van Nafthali, naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend en vierhonderd.
51Dat zijn de getelden van de zonen Israels: zeshonderd een duizend zevenhonderd en dertig.
24Toen ging het vijfde lot voor den stam der kinderen van Aser uit, naar hun huisgezinnen.
34Dat zijn de geslachten van Manasse: en hun getelden waren twee en vijftig duizend en zevenhonderd.
31Waren hun getelden van den stam van Zebulon zeven en vijftig duizend en vierhonderd.
37Dat zijn de geslachten der zonen van Efraim, naar hun getelden: twee en dertig duizend en vijfhonderd. Dat zijn de zonen van Jozef, naar hun geslachten.
38De zonen van Benjamin, naar hun geslachten: van Bela het geslacht der Belaieten; van Asbel het geslacht der Asbelieten; van Ahiram het geslacht der Ahirmieten;
18Dat zijn de geslachten der zonen van Gad, naar hun getelden: veertig duizend en vijfhonderd.
27En van den stam der kinderen van Aser, de overste Achihud, zoon van Selomi;
27En nevens hem zal zich legeren de stam van Aser; en Pagiel, de zoon van Ochran, zal de overste der zonen van Aser zijn.
28Zijn heir nu, en zijn getelden waren een en veertig duizend en vijfhonderd.
29Waren hun getelden van den stam van Issaschar vier en vijftig duizend en vierhonderd.
4Dan en Nafthali, Gad en Aser.
33Waren hun getelden van den stam van Efraim veertig duizend en vijfhonderd;
6Van de kinderen van Merari was Asaja overste, en van zijn broederen waren tweehonderd en twintig.
41Dat zijn de zonen van Benjamin, naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend en zeshonderd.
40Hun getelden waren, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, twee duizend zeshonderd en dertig.
44Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, drie duizend en tweehonderd.
13Van Aser, Pagiel, de zoon van Ochran.
31En van Asriel het geslacht der Alrielieten; en van Sechem het geslacht der Sechemieten;
32En van Semida het geslacht der Semidaieten; en van Hefer het geslacht der Heferieten.
6Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en vijftig duizend en vierhonderd.
2Dan, Jozef en Benjamin, Nafthali, Gad en Aser.
57Dit zijn nu de getelden van Levi, naar hun geslachten: van Gerson het geslacht der Gersonieten; van Kohath het geslacht der Kohathieten; van Merari het geslacht der Merarieten.
30En van den stam van Aser, Misal en haar voorsteden, Abdon en haar voorsteden;
37Waren hun getelden van den stam van Benjamin vijf en dertig duizend en vierhonderd.
24En van Aser zeide hij: Aser zij gezegend met zonen; hij zij zijn broederen aangenaam, en dope zijn voet in olie.
22Dat zijn de geslachten van Juda, naar hun getelden: zes en zeventig duizend en vijfhonderd.
2En aan de landpale van Dan, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Aser een.
74En van den stam van Aser: Masal en haar voorsteden, en Abdor en haar voorsteden,
26En de zonen van Zilpa, Lea's dienstmaagd: Gad en Aser. Deze zijn de zonen van Jakob, die hem geboren zijn in Paddan-Aram.