Numeri 26:34

Statenvertaling (States Bible)

Dat zijn de geslachten van Manasse: en hun getelden waren twee en vijftig duizend en zevenhonderd.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Num 1:34-35 : 34 Van de zonen van Manasse, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken, 35 Waren hun getelden van den stam van Manasse twee en dertig duizend en tweehonderd.
  • Num 2:20-21 : 20 En nevens hem de stam van Manasse; en Gamaliel, de zoon van Pedazur, zal de overste der zonen van Manasse zijn. 21 Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en dertig duizend en tweehonderd.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Num 1:31-35
    5 verzen
    84%

    31Waren hun getelden van den stam van Zebulon zeven en vijftig duizend en vierhonderd.

    32Van de zonen van Jozef: van de zonen van Efraim, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

    33Waren hun getelden van den stam van Efraim veertig duizend en vijfhonderd;

    34Van de zonen van Manasse, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

    35Waren hun getelden van den stam van Manasse twee en dertig duizend en tweehonderd.

  • 37Dat zijn de geslachten der zonen van Efraim, naar hun getelden: twee en dertig duizend en vijfhonderd. Dat zijn de zonen van Jozef, naar hun geslachten.

  • 2Ook hadden de overgebleven kinderen van Manasse een lot, naar hun huisgezinnen; te weten de kinderen van Abiezer, en de kinderen van Helek, en de kinderen van Asriel, en de kinderen van Sechem, en de kinderen van Hefer, en de kinderen van Semida. Dit zijn de mannelijke kinderen van Manasse, den zoon van Jozef, naar hun huisgezinnen.

  • Num 26:27-29
    3 verzen
    77%

    27Dat zijn de geslachten der Zebulonieten, naar hun getelden: zestig duizend en vijfhonderd.

    28De zonen van Jozef, naar hun geslachten, waren Manasse en Efraim.

    29De zonen van Manasse waren: van Machir het geslacht der Machirieten; Machir nu gewon Gilead; van Gilead was het geslacht der Gileadieten.

  • Num 26:50-52
    3 verzen
    76%

    50Dat zijn de geslachten van Nafthali, naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend en vierhonderd.

    51Dat zijn de getelden van de zonen Israels: zeshonderd een duizend zevenhonderd en dertig.

    52En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  • Num 2:19-21
    3 verzen
    74%

    19Zijn heir nu, en zijn getelden waren veertig duizend en vijfhonderd.

    20En nevens hem de stam van Manasse; en Gamaliel, de zoon van Pedazur, zal de overste der zonen van Manasse zijn.

    21Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en dertig duizend en tweehonderd.

  • 7Dit zijn de geslachten der Rubenieten; en hun getelden waren drie en veertig duizend zevenhonderd en dertig.

  • 32Dezen zijn de getelden van de kinderen Israels, naar het huis hunner vaderen; al de getelden der legers, naar hun heiren waren, zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.

  • 14Dat zijn de geslachten der Simeonieten: twee en twintig duizend en tweehonderd.

  • 34En hun getelden in getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren zes duizend en tweehonderd.

  • 22Dat zijn de geslachten van Juda, naar hun getelden: zes en zeventig duizend en vijfhonderd.

  • 18Dat zijn de geslachten der zonen van Gad, naar hun getelden: veertig duizend en vijfhonderd.

  • 41Dat zijn de zonen van Benjamin, naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend en zeshonderd.

  • 47Dat zijn de geslachten der zonen van Aser, naar hun getelden: drie en vijftig duizend en vierhonderd.

  • 26Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en zestig duizend en zevenhonderd.

  • 30Zijn heir nu, en zijn getelden waren drie en vijftig duizend en vierhonderd.

  • 37Waren hun getelden van den stam van Benjamin vijf en dertig duizend en vierhonderd.

  • 9Dezen nu in geslachtsregisters gesteld zijnde, naar hun geslachten, hoofden der huizen hunner vaderen, kloeke helden, waren twintig duizend en tweehonderd.

  • 6Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en vijftig duizend en vierhonderd.

  • 57Dit zijn nu de getelden van Levi, naar hun geslachten: van Gerson het geslacht der Gersonieten; van Kohath het geslacht der Kohathieten; van Merari het geslacht der Merarieten.

  • 36Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, twee duizend zevenhonderd en vijftig.

  • 25Dat zijn de geslachten van Issaschar, naar hun getelden: vier en zestig duizend en driehonderd.

  • 40Hun getelden waren, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, twee duizend zeshonderd en dertig.

  • 8Zijn heir nu, en zijn getelden waren zeven en vijftig duizend en vierhonderd.

  • 6Want de dochteren van Manasse erfden een erfdeel in het midden zijner zonen; en het land Gilead hadden de overgebleven kinderen van Manasse.

  • 44Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, drie duizend en tweehonderd.

  • 12Het gehele getal van de hoofden der vaderen, der strijdbare helden, was twee duizend en zeshonderd.

  • 17De kinderen van Ulam nu waren Bedan; dezen zijn de kinderen van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse.

  • 39Waren hun getelden van den stam van Dan twee en zestig duizend en zevenhonderd.

  • 29En aan de zijden der kinderen van Manasse was Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, Thaanach en haar onderhorige plaatsen, Megiddo en haar onderhorige plaatsen, Dor en haar onderhorige plaatsen. In deze hebben de kinderen van Jozef, den zoon van Israel, gewoond.

  • 1Toen naderden de dochteren van Zelafead, den zoon van Hefer, den zoon van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse, onder de geslachten van Manasse, den zoon van Jozef (en dit zijn de namen zijner dochteren: Machla, Noa, en Hogla, en Milka, en Tirza);

  • 46Al de getelden dan waren zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.

  • 23Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en dertig duizend en vierhonderd.

  • 25Waren hun getelden van den stam van Gad vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.

  • 42En de getelden van de geslachten der zonen van Merari, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen,

  • 43Al de geslachten der Suhamieten, naar hun getelden, waren vier en zestig duizend en vierhonderd.

  • 29Waren hun getelden van den stam van Issaschar vier en vijftig duizend en vierhonderd.

  • 40Deze allen waren kinderen van Aser, hoofden der vaderlijke huizen, uitgelezene kloeke helden, hoofden der vorsten; en zij werden in geslachtsregisters geteld ten heire in den krijg; hun getal was zes en twintig duizend mannen.

  • 32En zijn broeders waren kloeke lieden, twee duizend en zevenhonderd hoofden der vaderen; en de koning David stelde hen over de Rubenieten, en Gadieten, en den halven stam der Manassieten, tot alle zaken Gods en de zaken des konings.

  • 18Van de kinderen van Ruben, en van de Gadieten, en van den halven stam van Manasse, van de strijdbaarste mannen, schild en zwaard dragende, en den boog spannende, en ervaren in den krijg, waren vier en veertig duizend zevenhonderd en zestig, uitgaande in het heir.