1 Kronieken 24:9
Het vijfde voor Malchia, het zesde voor Mijamin,
Het vijfde voor Malchia, het zesde voor Mijamin,
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
10Het zevende voor Hakkoz, het achtste voor Abia,
11Het negende voor Jesua, het tiende voor Sechanja,
12Het elfde voor Eljasib, het twaalfde voor Jakim,
13Het dertiende voor Huppa, het veertiende voor Jesebeab,
14Het vijftiende voor Bilga, het zestiende voor Immer,
15Het zeventiende voor Hezir, het achttiende voor Happizzes,
16Het negentiende voor Petahja, het twintigste voor Jehezkel,
17Het een en twintigste voor Jachin, het twee en twintigste voor Gamul,
18Het drie en twintigste voor Delaja, het vier en twintigste voor Maazja.
7Mesullam, Abia, Mijamin,
10Mismanna de vierde; Jirmeja de vijfde;
11Attai de zesde; Eliel de zevende;
12Johanan de achtste; Elzabad de negende;
13Jirmeja de tiende; Machbannai de elfde.
7Het eerste lot nu ging uit voor Jojarib, het tweede voor Jedaja,
8Het derde voor Harim, het vierde voor Seorim,
25En van Israel: van de kinderen van Paros: Ramja, en Jezia, en Malchia, en Mijamim, en Eleazar, en Malchia, en Benaja.
4Iddo, Ginnethoi, Abia,
5Mijamin, Maadja, Bilga,
2Meselemja nu had kinderen; Zecharja was de eerstgeborene, Jediael de tweede, Zebadja de derde, Jathniel de vierde,
3Elam de vijfde, Johanan de zesde, Eljoenai de zevende.
26Het negentiende voor Mallothi; zijn zonen en zijn broederen; twaalf.
16Het negende voor Mattanja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
16Van Iddo, Zacharia; van Ginnethon, Mesullam;
17Van Abia, Zichri; van Minjamin, van Moadja, Piltai;
40Den zoon van Michael, den zoon van Baeseja, den zoon van Malchija,
23En van de kinderen van Hebron was Jeria de eerste, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, Jekameam de vierde.
24Van de kinderen van Uzziel was Micha; van de kinderen van Micha was Samir;
25De broeder van Micha was Jissia; van de kinderen van Jissia was Zecharja.
12Het vijfde voor Nethanja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
13Het zesde voor Bukkia; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
12En Adaja, de zoon van Jeroham, den zoon van Pashur, den zoon van Malchija; en Massi, de zoon van Adiel, den zoon van Jahzera, den zoon van Mesullam, den zoon van Mesillemith, den zoon van Immer.
11Micha, Rehob, Hasabja,
12Zakkur, Serebja, Sebanja,
32Benjamin, Malluch, Semarja.
34Juda, en Benjamin, en Semaja, en Jeremia;
4Hattus, Sebanja, Malluch,
5Harim, Meremoth, Obadja,
37En Gedor, en Ahio, en Zacharja, en Mikloth.
37Mattanja, Mathnai, en Jaasai,
2Amarja, Malluch, Hattus,
14Van Melichu, Jonathan; van Sebanja, Jozef;
15En Bakbakkar, Heres, en Galal, en Mattanja, de zoon van Micha, den zoon van Zichri, den zoon van Asaf;
30Het drie en twintigste voor Mahazioth; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
24En Hananja, en Elam, en Antothija,
20Aangaande de kinderen van Uzziel: Micha was het hoofd, en Jissia de tweede.
12En hun broederen, die het werk in het huis deden, waren achthonderd twee en twintig. En Adaja, de zoon van Jeroham, den zoon van Pelalja, den zoon van Amzi, den zoon van Zacharja, den zoon van Pashur, den zoon van Malchia;
23Het zestiende voor Hananja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
24Het zeventiende voor Josbekasa; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
21Het veertiende voor Mattithja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.