1 Kronieken 26:9

Statenvertaling (States Bible)

Meselemja nu had kinderen en broeders, kloeke lieden, achttien.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • 1 Kron 26:1 : 1 Aangaande de verdelingen der poortiers: van de Korahieten was Meselemja, de zoon van Kore, van de kinderen van Asaf.
  • 1 Kron 26:14 : 14 Het lot nu tegen het oosten viel op Salemja; maar voor zijn zoon Zecharja, die een verstandig raadsman was, wierp men de loten, en zijn lot is uitgekomen tegen het noorden;

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 80%

    6Ook werden zijn zoon Semaja kinderen geboren, heersende over het huis huns vaders; want zij waren kloeke helden.

    7De kinderen van Semaja waren Othni, en Refael, en Obed, en Elzabad, zijn broeders, kloeke lieden; Elihu, en Semachja.

    8Deze allen waren uit de kinderen van Obed-Edom; zij, en hun kinderen, en hun broeders, kloeke mannen in kracht tot den dienst; daar waren er twee en zestig van Obed-Edom.

  • 77%

    15Het achtste voor Jesaja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    16Het negende voor Mattanja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    17Het tiende voor Simei; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    18Het elfde voor Azareel; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    19Het twaalfde voor Hasabja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    20Het dertiende voor Subael; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    21Het veertiende voor Mattithja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

  • 77%

    1Aangaande de verdelingen der poortiers: van de Korahieten was Meselemja, de zoon van Kore, van de kinderen van Asaf.

    2Meselemja nu had kinderen; Zecharja was de eerstgeborene, Jediael de tweede, Zebadja de derde, Jathniel de vierde,

    3Elam de vijfde, Johanan de zesde, Eljoenai de zevende.

    4Obed-Edom had ook kinderen: Semaja was de eerstgeborene, Jozabad de tweede, Joah de derde, en Sachar de vierde, en Nethaneel de vijfde.

  • Ezra 8:18-19
    2 verzen
    76%

    18En zij brachten ons, naar de goede hand onzes Gods over ons, een man van verstand, van de kinderen van Mahli, den zoon van Levi, den zoon van Israel; namelijk Serebja, met zijn zonen en broederen, achttien;

    19En Hasabja, en met hem Jesaja, van de kinderen van Merari, met zijn broederen, en hun zonen, twintig;

  • 76%

    23Het zestiende voor Hananja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    24Het zeventiende voor Josbekasa; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    25Het achttiende voor Hanani; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    26Het negentiende voor Mallothi; zijn zonen en zijn broederen; twaalf.

    27Het twintigste voor Eliatha; zijn zonen en zijn broederen; twaalf.

  • 11Hilkia was de tweede, Tebalja de derde, Zecharja de vierde; al de kinderen en broederen van Hosa waren dertien.

  • Ezra 8:8-10
    3 verzen
    73%

    8En van de kinderen van Sefatja, Zebadja, de zoon van Michael; en met hem tachtig manspersonen.

    9En van de kinderen van Joab, Obadja, de zoon van Jehiel; en met hem tweehonderd en achttien manspersonen.

    10En van de kinderen van Selomith, de zoon van Josifja; en met hem honderd en zestig manspersonen.

  • 9En hun broederen naar hun geslachten, negenhonderd zes en vijftig; al deze mannen waren hoofden der vaderen in de huizen hunner vaderen.

  • 12Het gehele getal van de hoofden der vaderen, der strijdbare helden, was twee duizend en zeshonderd.

  • Neh 11:12-14
    3 verzen
    72%

    12En hun broederen, die het werk in het huis deden, waren achthonderd twee en twintig. En Adaja, de zoon van Jeroham, den zoon van Pelalja, den zoon van Amzi, den zoon van Zacharja, den zoon van Pashur, den zoon van Malchia;

    13En zijn broederen, hoofden der vaderen, waren tweehonderd twee en veertig. En Amassai, de zoon van Azareel, den zoon van Achzai, den zoon van Mesillemoth, den zoon van Immer;

    14En hun broederen, dappere helden, waren honderd acht en twintig; en opziener over hen was Zabdiel, de zoon van Gedolim.

  • 30Het drie en twintigste voor Mahazioth; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

  • 71%

    13Daartoe hun broeders, hoofden in de huizen hunner vaderen, duizend zevenhonderd en zestig, kloeke helden aan het werk van den dienst van het huis Gods.

    14Van de Levieten nu waren Semaja, de zoon van Hasub, den zoon van Azrikam, den zoon van Hasabja, van de kinderen van Merari;

  • 13En van de laatste kinderen van Adonikam, welker namen deze waren: Elifelet, Jehiel, en Semaja; en met hen zestig manspersonen.

  • 71%

    8Uit de kinderen van Elizafan was overste Semaja, en van zijn broederen waren tweehonderd.

    9Uit de kinderen van Hebron was Eliel overste, en zijn broederen waren tachtig.

  • 5Van de kinderen van Sechanja, de zoon van Jahaziel; en met hem driehonderd manspersonen.

  • 70%

    30En van de kinderen van Efraim, twintig duizend en achthonderd, kloeke helden, mannen van naam in het huis hunner vaderen;

    31En van den halven stam van Manasse achttien duizend, die met namen uitgedrukt zijn, dat zij kwamen, om David koning te maken;

  • 6Alle kinderen van Perez, die te Jeruzalem woonden, waren vierhonderd acht en zestig dappere mannen.

  • 8En Elisama, en Eljada, en Elifelet, negen.

  • 13Het zesde voor Bukkia; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

  • 18En met hen hun broeders van de tweede orde: Zecharja, Ben en Jaaziel, en Semiramoth, en Jehiel, en Unni, Eliab, en Benaja, en Maaseja, en Mattithja, en Elifele, en Mikneja, en Obed-Edom, en Jeiel, de poortiers.

  • 26En Samserai, en Seharja, en Athalja,

  • 26De mannen van Bethlehem en Netofa, honderd acht en tachtig;

  • 9Dezen nu in geslachtsregisters gesteld zijnde, naar hun geslachten, hoofden der huizen hunner vaderen, kloeke helden, waren twintig duizend en tweehonderd.

  • 25Maar zijn broeders van Eliezer waren dezen: Rehabja was zijn zoon, en Jesaja zijn zoon, en Joram zijn zoon, en Zichri zijn zoon, en Selomith zijn zoon.

  • 16De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig.

  • 18Dezes zonen waren Malchiram, en Pedaja, en Senazar, Jekamja, Hosama en Nedabja.

  • 27Simei nu had zestien zonen en zes dochteren; maar zijn broeders hadden niet veel kinderen; en hun ganse huisgezin werd zo zeer niet vermenigvuldigd, als van de kinderen van Juda.