1 Kronieken 26:8

Statenvertaling (States Bible)

Deze allen waren uit de kinderen van Obed-Edom; zij, en hun kinderen, en hun broeders, kloeke mannen in kracht tot den dienst; daar waren er twee en zestig van Obed-Edom.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Matt 25:15 : 15 En den ene gaf hij vijf talenten, en den anderen twee, en den derden een, een iegelijk naar zijn vermogen, en verreisde terstond.
  • 1 Kor 12:4-9 : 4 En er is verscheidenheid der gaven, doch het is dezelfde Geest; 5 En er is verscheidenheid der bedieningen, en het is dezelfde Heere; 6 En er is verscheidenheid der werkingen, doch het is dezelfde God, Die alles in allen werkt. 7 Maar aan een iegelijk wordt de openbaring des Geestes gegeven tot hetgeen oorbaar is. 8 Want dezen wordt door den Geest gegeven het woord der wijsheid, en een ander het woord der kennis, door denzelfden Geest; 9 En een ander het geloof, door denzelfden Geest; en een ander de gaven der gezondmakingen, door denzelfden Geest. 10 En een ander de werkingen der krachten; en een ander profetie; en een ander onderscheidingen der geesten; en een ander menigerlei talen; en een ander uitlegging der talen. 11 Doch deze dingen alle werkt een en dezelfde Geest, delende aan een iegelijk in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wil.
  • 2 Kor 3:6 : 6 Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaars des Nieuwen Testaments, niet der letter, maar des Geestes; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.
  • 1 Petr 4:11 : 11 Indien iemand spreekt, die spreke als de woorden Gods; indien iemand dient, die diene als uit kracht, die God verleent; opdat God in allen geprezen worde door Jezus Christus, Welken toekomt de heerlijkheid en de kracht, in alle eeuwigheid. Amen.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 82%

    6Ook werden zijn zoon Semaja kinderen geboren, heersende over het huis huns vaders; want zij waren kloeke helden.

    7De kinderen van Semaja waren Othni, en Refael, en Obed, en Elzabad, zijn broeders, kloeke lieden; Elihu, en Semachja.

  • 9Meselemja nu had kinderen en broeders, kloeke lieden, achttien.

  • 38Obed-Edom nu, met hunlieder broederen, waren acht en zestig; en hij stelde Obed-Edom, den zoon van Jeduthun, en Hosa, tot poortiers;

  • 77%

    3Elam de vijfde, Johanan de zesde, Eljoenai de zevende.

    4Obed-Edom had ook kinderen: Semaja was de eerstgeborene, Jozabad de tweede, Joah de derde, en Sachar de vierde, en Nethaneel de vijfde.

  • Ezra 8:5-10
    6 verzen
    74%

    5Van de kinderen van Sechanja, de zoon van Jahaziel; en met hem driehonderd manspersonen.

    6En van de kinderen van Adin, Ebed, de zoon van Jonathan; en met hem vijftig manspersonen.

    7En van de kinderen van Elam, Jesaja, de zoon van Athalja; en met hem zeventig manspersonen.

    8En van de kinderen van Sefatja, Zebadja, de zoon van Michael; en met hem tachtig manspersonen.

    9En van de kinderen van Joab, Obadja, de zoon van Jehiel; en met hem tweehonderd en achttien manspersonen.

    10En van de kinderen van Selomith, de zoon van Josifja; en met hem honderd en zestig manspersonen.

  • 12Het gehele getal van de hoofden der vaderen, der strijdbare helden, was twee duizend en zeshonderd.

  • 14En hun broederen, dappere helden, waren honderd acht en twintig; en opziener over hen was Zabdiel, de zoon van Gedolim.

  • Ezra 8:13-14
    2 verzen
    72%

    13En van de laatste kinderen van Adonikam, welker namen deze waren: Elifelet, Jehiel, en Semaja; en met hen zestig manspersonen.

    14En van de kinderen van Bigvai, Uthai en Zabbud; en met hen zeventig manspersonen.

  • 58Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.

  • 13Daartoe hun broeders, hoofden in de huizen hunner vaderen, duizend zevenhonderd en zestig, kloeke helden aan het werk van den dienst van het huis Gods.

  • 72%

    6Dezen waren altemaal aan de handen huns vaders gesteld tot het gezang van het huis des HEEREN, op cimbalen, luiten, en harpen, tot den dienst van het huis Gods, aan de handen van den koning, van Asaf, Jeduthun, en van Heman.

    7En hun getal met hun broederen, die geleerd waren in het gezang des HEEREN, allen meesters, was tweehonderd acht en tachtig.

  • 40Hun getelden waren, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, twee duizend zeshonderd en dertig.

  • 71%

    11Hilkia was de tweede, Tebalja de derde, Zecharja de vierde; al de kinderen en broederen van Hosa waren dertien.

    12Uit dezen waren de verdelingen der poortiers onder de hoofden der mannen, tot de wachten tegen hun broederen, om te dienen in het huis des HEEREN.

  • 62De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en veertig.

  • 19En Hasabja, en met hem Jesaja, van de kinderen van Merari, met zijn broederen, en hun zonen, twintig;

  • 26De mannen van Bethlehem en Netofa, honderd acht en tachtig;

  • 8Uit de kinderen van Elizafan was overste Semaja, en van zijn broederen waren tweehonderd.

  • 28In getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren acht duizend en zeshonderd, waarnemende de wacht des heiligdoms.

  • 60De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en vijftig.

  • 32En zijn broeders waren kloeke lieden, twee duizend en zevenhonderd hoofden der vaderen; en de koning David stelde hen over de Rubenieten, en Gadieten, en den halven stam der Manassieten, tot alle zaken Gods en de zaken des konings.

  • 4En met hen naar hun geslachten, naar hun vaderlijke huizen, waren de hopen des krijgsheirs zes en dertig duizend; want zij hadden vele vrouwen en kinderen.

  • 60Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.

  • 12En hun broederen, die het werk in het huis deden, waren achthonderd twee en twintig. En Adaja, de zoon van Jeroham, den zoon van Pelalja, den zoon van Amzi, den zoon van Zacharja, den zoon van Pashur, den zoon van Malchia;

  • 10De kinderen van Bani, zeshonderd twee en veertig.

  • 15Obed-Edom tegen het zuiden; en voor zijn kinderen het huis der schatkameren.

  • 22De mannen van Netofa, zes en vijftig.

  • 16De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig.

  • 9Dezen nu in geslachtsregisters gesteld zijnde, naar hun geslachten, hoofden der huizen hunner vaderen, kloeke helden, waren twintig duizend en tweehonderd.

  • 6Alle kinderen van Perez, die te Jeruzalem woonden, waren vierhonderd acht en zestig dappere mannen.

  • 26De kinderen van Rama en Gaba, zeshonderd een en twintig.

  • 26Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en zestig duizend en zevenhonderd.

  • 27Dat zijn de geslachten der Zebulonieten, naar hun getelden: zestig duizend en vijfhonderd.

  • 22Dat zijn de geslachten van Juda, naar hun getelden: zes en zeventig duizend en vijfhonderd.

  • 24De kinderen van Azmaveth, twee en veertig.

  • 18En hij maakte uit dezelve zeventig duizend lastdragers, en tachtig duizend houwers in het gebergte, mitsgaders drie duizend en zeshonderd opzieners, om het volk te doen arbeiden.

  • 40De Levieten. De kinderen van Jesua en Kadmiel, van de kinderen van Hodavja, vier en zeventig.

  • 26Het negentiende voor Mallothi; zijn zonen en zijn broederen; twaalf.

  • 11Alle dezen waren kinderen van Jediael, tot hoofden der vaderen, kloeke helden, zeventien duizend en tweehonderd, uitgaande in het heir ten strijde.

  • 65Behalve hun knechten en hun maagden, die waren zeven duizend driehonderd zeven en dertig; en zij hadden tweehonderd zangers en zangeressen.

  • 43Al de geslachten der Suhamieten, naar hun getelden, waren vier en zestig duizend en vierhonderd.