Numeri 34:28
En van den stam der kinderen van Nafthali, de overste Pedael, zoon van Ammihud.
En van den stam der kinderen van Nafthali, de overste Pedael, zoon van Ammihud.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
18Daartoe zult gij uit elken stam een overste nemen, om het land ten erve uit te delen.
19En dit zijn de namen dezer mannen: van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne;
20En van den stam der kinderen van Simeon, Semuel, zoon van Ammihud;
21Van den stam van Benjamin, Elidad, zoon van Chislon;
22En van den stam der kinderen van Dan, de overste Bukki, zoon van Jogli;
23Van de kinderen van Jozef: van den stam der kinderen van Manasse, de overste Hanniel, zoon van Efod;
24En van den stam der kinderen van Efraim, de overste Kemuel, zoon van Siftan;
25En van den stam der kinderen van Zebulon, de overste Elizafan, zoon van Parnach;
26En van den stam der kinderen van Issaschar, de overste Paltiel, zoon van Azzan;
27En van den stam der kinderen van Aser, de overste Achihud, zoon van Selomi;
29Dit zijn ze, dien de HEERE geboden heeft, den kinderen Israels de erfenissen uit te delen, in het land Kanaan.
29Daartoe de stam van Nafthali; en Ahira, de zoon van Enan, zal de overste der zonen van Nafthali zijn.
7Van Juda, Nahesson, de zoon van Amminadab.
8Van Issaschar, Nethaneel, de zoon van Zuar.
9Van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon.
10Van de kinderen van Jozef: van Efraim, Elisama, de zoon van Ammihud; van Manasse, Gamaliel, de zoon van Pedazur.
20En nevens hem de stam van Manasse; en Gamaliel, de zoon van Pedazur, zal de overste der zonen van Manasse zijn.
23En over het heir van den stam der kinderen van Manasse was Gamaliel, de zoon van Pedazur.
14Van de stam van Nafthali, Nachbi, de zoon van Wofsi.
9Van de stam van Benjamin, Palti, de zoon van Rafu.
10Van de stam van Zebulon, Gaddiel, de zoon van Sodi.
42Van de zonen van Nafthali, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
43Waren hun getelden van den stam van Nafthali drie en vijftig duizend en vierhonderd.
26En over het heir van den stam der kinderen van Aser was Pagiel, de zoon van Ochran.
27En over het heir van den stam der kinderen van Nafthali was Ahira, de zoon van Enan.
15Van Nafthali, Ahira, de zoon van Enan.
32Het zesde lot ging uit voor de kinderen van Nafthali, voor de kinderen van Nafthali, naar hun huisgezinnen.
7Daartoe de stam van Zebulon; en Eliab, de zoon van Helon, zal de overste der zonen van Zebulon zijn.
34En uit Nafthali, duizend oversten, en bij hen met rondas en spies, zeven en dertig duizend.
27Looft God in de gemeenten, den Heere, gij, die zijt uit den springader van Israel!
3Die zich nu legeren zullen oostwaarts tegen den opgang, zal zijn de banier des legers van Juda, naar hun heiren; en Nahesson, de zoon van Amminadab, zal de overste der zonen van Juda zijn.
19Over Zebulon was Jismaja, de zoon van Obadja; over Nafthali was Jerimoth, de zoon van Azriel;
20Over de kinderen van Efraim was Hosea, de zoon van Azarja; over den halven stam van Manasse was Joel, de zoon van Pedaja;
22Over Dan was Azarel, de zoon van Jeroham. Dezen waren de oversten der stammen van Israel.
21Van Hilkia, Hasabja; van Jedaja, Nethaneel.
27En nevens hem zal zich legeren de stam van Aser; en Pagiel, de zoon van Ochran, zal de overste der zonen van Aser zijn.
8En de zonen van Pallu waren Eliab.
15En over het heir van den stam der kinderen van Issaschar was Nethaneel, den zoon van Zuar.
5En nevens zal zich legeren de stam van Issaschar; en Nethaneel, de zoon van Zuar, zal de overste der zonen van Issaschar zijn.
12Van de stam van Dan, Ammiel, de zoon van Gemalli.
14Daartoe de stam van Gad; en Eljasaf, de zoon van Rehuel, zal de overste der zonen van Gad zijn.
39Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Nafthali, naar hun huisgezinnen, de steden en haar dorpen.
6En Nogah, en Nefeg, en Jafia,
28Zalmon, de Ahohiet; Maharai, de Netofathiet;
12Van Dan, Ahiezer, de zoon van Ammisaddai.
10Ram nu gewon Amminadab, en Amminadab gewon Nahesson, den vorst der kinderen van Juda;
23En van Nafthali zeide hij: O Nafthali! wees verzadigd van de goedgunstigheid, en vol van den zegen des HEEREN; bezit erfelijk het westen en het zuiden.
32En van Semida het geslacht der Semidaieten; en van Hefer het geslacht der Heferieten.
5Ruben was de eerstgeborene van Israel. De zonen van Ruben waren: Hanoch, van welken was het geslacht der Hanochieten; van Pallu het geslacht der Palluieten;