Numeri 10:14

Statenvertaling (States Bible)

Want vooreerst toog op de banier van het leger der kinderen van Juda, naar hun heiren; en over zijn heir was Nahesson, de zoon van Amminadab.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Num 2:3-9 : 3 Die zich nu legeren zullen oostwaarts tegen den opgang, zal zijn de banier des legers van Juda, naar hun heiren; en Nahesson, de zoon van Amminadab, zal de overste der zonen van Juda zijn. 4 Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en zeventig duizend en zeshonderd. 5 En nevens zal zich legeren de stam van Issaschar; en Nethaneel, de zoon van Zuar, zal de overste der zonen van Issaschar zijn. 6 Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en vijftig duizend en vierhonderd. 7 Daartoe de stam van Zebulon; en Eliab, de zoon van Helon, zal de overste der zonen van Zebulon zijn. 8 Zijn heir nu, en zijn getelden waren zeven en vijftig duizend en vierhonderd. 9 Al de getelden des legers van Juda waren honderd zes en tachtig duizend en vierhonderd, naar hun heiren. Zij zullen vooraan optrekken.
  • Num 1:7 : 7 Van Juda, Nahesson, de zoon van Amminadab.
  • Gen 49:8 : 8 Juda! gij zijt het, u zullen uw broeders loven; uw hand zal zijn op den nek uwer vijanden; voor u zullen zich uws vaders zonen nederbuigen.
  • Num 7:12 : 12 Die nu op den eersten dag zijn offerande offerde, was Nahesson, de zoon van Amminadab, voor den stam van Juda.
  • Num 26:19-27 : 19 De zonen van Juda waren Er en Onan; maar Er en Onan stierven in het land Kanaan. 20 Alzo waren de zonen van Juda naar hun geslachten: van Sela het geslacht der Selanieten; van Perez het geslacht der Perezieten; van Zerah het geslacht der Zerahieten. 21 En de zonen van Perez waren: van Hezron het geslacht der Hezronieten; van Hamul het geslacht der Hamulieten. 22 Dat zijn de geslachten van Juda, naar hun getelden: zes en zeventig duizend en vijfhonderd. 23 De zonen van Issaschar, naar hun geslachten, waren: van Tola het geslacht der Tolaieten; van Puva het geslacht der Punieten; 24 Van Jasub het geslacht der Jasubieten; van Simron het geslacht der Simronieten. 25 Dat zijn de geslachten van Issaschar, naar hun getelden: vier en zestig duizend en driehonderd. 26 De zonen van Zebulon, naar hun geslachten, waren: van Sered het geslacht der Seredieten; van Elon het geslacht der Elonieten; van Jahleel het geslacht der Jahleelieten. 27 Dat zijn de geslachten der Zebulonieten, naar hun getelden: zestig duizend en vijfhonderd.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Num 2:2-12
    11 verzen
    87%

    2De kinderen Israels zullen zich legeren, een ieder onder zijn banier, naar de tekenen van het huis hunner vaderen; rondom tegenover de tent der samenkomst zullen zij zich legeren.

    3Die zich nu legeren zullen oostwaarts tegen den opgang, zal zijn de banier des legers van Juda, naar hun heiren; en Nahesson, de zoon van Amminadab, zal de overste der zonen van Juda zijn.

    4Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en zeventig duizend en zeshonderd.

    5En nevens zal zich legeren de stam van Issaschar; en Nethaneel, de zoon van Zuar, zal de overste der zonen van Issaschar zijn.

    6Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en vijftig duizend en vierhonderd.

    7Daartoe de stam van Zebulon; en Eliab, de zoon van Helon, zal de overste der zonen van Zebulon zijn.

    8Zijn heir nu, en zijn getelden waren zeven en vijftig duizend en vierhonderd.

    9Al de getelden des legers van Juda waren honderd zes en tachtig duizend en vierhonderd, naar hun heiren. Zij zullen vooraan optrekken.

    10De banier des legers van Ruben, naar hun heiren, zal tegen het zuiden zijn; en Elizur, de zoon van Sedeur, zal de overste der zonen van Ruben zijn.

    11Zijn heir nu, en zijn getelden waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.

    12En nevens hem zal zich legeren de stam van Simeon; en Selumiel, de zoon van Zurisaddai, zal de overste der zonen van Simeon zijn.

  • Num 1:7-8
    2 verzen
    81%

    7Van Juda, Nahesson, de zoon van Amminadab.

    8Van Issaschar, Nethaneel, de zoon van Zuar.

  • Num 10:15-16
    2 verzen
    78%

    15En over het heir van den stam der kinderen van Issaschar was Nethaneel, den zoon van Zuar.

    16En over het heir van den stam der kinderen van Zebulon was Eliab, de zoon van Helon.

  • Num 10:21-25
    5 verzen
    77%

    21Toen togen op de Kohathieten, dragende het heiligdom; en de anderen richtten den tabernakel op, tegen dat dezen kwamen.

    22Daarna toog op de banier van het leger der kinderen van Efraim, naar hun heiren; en over het heir was Elisama, de zoon van Ammihud.

    23En over het heir van den stam der kinderen van Manasse was Gamaliel, de zoon van Pedazur.

    24En over het heir van den stam der kinderen van Benjamin was Abidan, de zoon van Gideoni.

    25Toen toog op de banier van het leger der kinderen van Dan, samensluitende al de legers, naar hun heiren; en over zijn heir was Ahiezer de zoon van Ammisaddai.

  • 12Die nu op den eersten dag zijn offerande offerde, was Nahesson, de zoon van Amminadab, voor den stam van Juda.

  • Num 10:27-28
    2 verzen
    74%

    27En over het heir van den stam der kinderen van Nafthali was Ahira, de zoon van Enan.

    28Dit waren de tochten der kinderen Israels, naar hun heiren, als zij reisden.

  • Num 2:28-30
    3 verzen
    73%

    28Zijn heir nu, en zijn getelden waren een en veertig duizend en vijfhonderd.

    29Daartoe de stam van Nafthali; en Ahira, de zoon van Enan, zal de overste der zonen van Nafthali zijn.

    30Zijn heir nu, en zijn getelden waren drie en vijftig duizend en vierhonderd.

  • 13Alzo togen zij vooreerst op, naar den mond des HEEREN, door de hand van Mozes.

  • 17En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Nahesson, den zoon van Amminadab.

  • 10Ram nu gewon Amminadab, en Amminadab gewon Nahesson, den vorst der kinderen van Juda;

  • 25De banier des legers van Dan zal tegen het noorden zijn, naar hun heiren; en Ahiezer, de zoon van Ammisaddai, zal de overste der zonen van Dan zijn.

  • Num 2:17-18
    2 verzen
    71%

    17Daarna zal de tent der samenkomst optrekken, met het leger der Levieten, in het midden van de legers; gelijk als zij zich legeren zullen, alzo zullen zij optrekken, een iegelijk aan zijn plaats, naar hun banieren.

    18De banier des legers van Efraim, naar hun heiren, zal tegen het westen zijn; en Elisama, de zoon van Ammihud, zal de overste der zonen van Efraim zijn.

  • Num 10:18-19
    2 verzen
    71%

    18Daarna toog de banier van het leger van Ruben, naar hun heiren; en over zijn heir was Elizur, de zoon van Sedeur.

    19En over het heir van den stam der kinderen van Simeon was Selumiel, de zoon van Zurisaddai.

  • Num 1:26-27
    2 verzen
    70%

    26Van de zonen van Juda, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

    27Waren hun getelden van den stam van Juda vier en zeventig duizend en zeshonderd.

  • Richt 1:1-2
    2 verzen
    69%

    1En het geschiedde na den dood van Jozua, dat de kinderen Israels den HEERE vraagden, zeggende: Wie zal onder ons het eerst optrekken naar de Kanaanieten, om tegen hen te krijgen?

    2En de HEERE zeide: Juda zal optrekken; ziet, Ik heb dat land in zijn hand gegeven.

  • 42Van de zonen van Nafthali, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

  • 52En de kinderen Israels zullen zich legeren, een iegelijk bij zijn leger, en een iegelijk bij zijn banier, naar hun heiren.

  • 16Toen maakte zich Jozua des morgens vroeg op, en deed Israel aankomen naar zijn stammen; en de stam van Juda werd geraakt.

  • 14Van de stam van Nafthali, Nachbi, de zoon van Wofsi.

  • 34En de kinderen Israels deden naar alles, wat de HEERE Mozes geboden had, zo legerden zij zich naar hun banieren, en zo trokken zij op, een iegelijk naar zijn geslachten, naar het huis zijner vaderen.

  • 10Uit de kinderen van Uzziel was Amminadab overste, en zijn broederen waren honderd en twaalf.

  • 30Van de zonen van Zebulon, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

  • 1En het lot voor den stam der kinderen van Juda, naar hun huisgezinnen, was: aan de landpale van Edom, de woestijn Zin, zuidwaarts, was het uiterste tegen het zuiden;

  • 15Van Nafthali, Ahira, de zoon van Enan.

  • 18En de kinderen Israels maakten zich op, en togen opwaarts ten huize Gods, en vraagden God, en zeiden: Wie zal onder ons vooreerst optrekken ten strijde tegen de kinderen van Benjamin? En de HEERE zeide: Juda vooreerst.