2 Samuël 23:36

Statenvertaling (States Bible)

Jig-al, de zoon van Nathan, van Zoba; Bani, de Gadiet;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • 2 Sam 8:3 : 3 David sloeg ook Hadad-ezer, den zoon van Rechob, den koning van Zoba, toen hij heentoog, om zijn hand te wenden naar de rivier Frath.
  • 1 Kron 11:38 : 38 Joel, de broeder van Nathan; Mibhar, de zoon van Geri;

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 81%

    37Zelek, de Ammoniet; Naharai, de Beerothiet, de wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;

    38Ira, de Jethriet; Gareb, de Jethriet;

    39Uria, de Hethiet, zeven en dertig in alles.

  • 79%

    37Hezro, de Karmeliet; Naari, de zoon van Ezbai;

    38Joel, de broeder van Nathan; Mibhar, de zoon van Geri;

    39Zelek, de Ammoniet; Nahrai, de Berothiet, wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;

    40Ira, de Jithriet; Gareb, de Jithriet;

    41Uria, de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai;

  • 75%

    25Samma, de Harodiet; Elika, de Harodiet;

    26Helez, de Paltiet; Ira, de zoon van Ikes, de Thekoiet;

    27Abi-ezer, de Anetothiet; Mebunnai, de Husathiet;

    28Zalmon, de Ahohiet; Maharai, de Netofathiet;

    29Heleb, de zoon van Baena, de Netofathiet; Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins;

    30Benaja, de Pirhathoniet; Hiddai, van de beken van Gaas;

    31Abi-Albon, de Arbathiet; Azmaveth, de Barhumiet;

    32Eljachba, de Saalboniet; van de zonen van Jazen, Jonathan;

    33Samma, de Harariet; Ahiam, de zoon van Sarar, de Harariet;

    34Elifelet, de zoon van Ahasbai, de zoon van een Maachathiet; Eliam, de zoon van Achitofel, de Giloniet;

    35Hezrai, de Karmeliet; Paerai, de Arbiet;

  • 74%

    27Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet;

    28Ira, de zoon van Ikkes, de Thekoiet; Abiezer, de Anathothiet;

    29Sibbechai, de Husathiet; Ilai, de Ahohiet;

    30Maharai, de Netofathiet; Heled, de zoon van Baana, de Netofathiet;

    31Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins; Benaja, de Pirhathoniet;

    32Hurai, van de beken van Gaas; Abiel; de Arbathiet;

    33Azmaveth, de Baharumiet; Eljahba, de Saalboniet;

    34Van de kinderen van Hasem, den Gizoniet, was Jonathan, de zoon van Sage, de Harariet;

  • 7Van de stam van Issaschar, Jigeal, de zoon van Jozef.

  • 46Eliel Hammahavim en Jeribai, en Josavia, de zonen van Elnaam; en Jithma, de Moabiet;

  • 11Van Benjamin, Abidan, de zoon van Gideoni.

  • 36Attai nu gewon Nathan, en Nathan gewon Zabad,

  • 9Ezer was het hoofd; Obadja de tweede; Eliab de derde;

  • 36En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,

  • 69%

    3Het hoofd was Ahiezer, en Joas, zonen van Semaa, den Gibeathiet; daarna Jeziel en Pelet, zonen van Azmaveth, en Beracha, en Jehu, de Anathothiet.

    4En Jismaja, de Gibeoniet, was een held onder de dertig, en over dertig gesteld; en Jirmeja, en Jahaziel, en Johanan, en Jozabad, de Gederathiet;

  • 23En Abdon, en Zichri, en Hanan,

  • 17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,

  • 7En Joela en Zebadja, de zonen van Jeroham, van Gedor.

  • 10Van de stam van Zebulon, Gaddiel, de zoon van Sodi.

  • 35Benaja, Bedeja, Cheluhu,

  • 21Over half Manasse, in Gilead, was Jiddo, de zoon van Zecharja; over Benjamin was Jaasiel, de zoon van Abner;

  • 18Van Bilga, Sammua; van Semaja, Jonathan;

  • 15De zonen van Gad, naar hun geslachten: van Zefon het geslacht der Zefonieten; van Haggi het geslacht der Haggieten; van Suni het geslacht der Sunieten.

  • 22Daartoe de stam van Benjamin; en Abidan, de zoon van Gideoni, zal de overste der zonen van Benjamin zijn.

  • 16Adonia, Bigvai, Adin,

  • 27Dit zijn de zonen van Ezer: Bilhan, en Zaavan, en Akan.

  • 38En Bani, en Binnui, Simei,

  • 43Van de kinderen van Nebo: Jeiel, Mattithja, Zabad, Zebina, Jaddai, en Joel, Benaja.

  • 16Van Iddo, Zacharia; van Ginnethon, Mesullam;