1 Kronieken 2:36

Statenvertaling (States Bible)

Attai nu gewon Nathan, en Nathan gewon Zabad,

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • 1 Kron 11:41 : 41 Uria, de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai;

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 82%

    37En Zabad gewon Eflal, en Eflal gewon Obed,

    38En Obed gewon Jehu, en Jehu gewon Azaria,

    39En Azaria gewon Helez, en Helez gewon Elasa,

    40En Elasa gewon Sismai, en Sismai gewon Sallum,

  • 35Sesan nu gaf zijn dochter aan zijn knecht Jarha tot een vrouw; en zij baarde hem Attai.

  • 1 Kron 6:7-9
    3 verzen
    72%

    7En Merajoth gewon Amarja, en Amarja gewon Ahitub;

    8En Ahitub gewon Zadok, en Zadok gewon Ahimaaz;

    9En Ahimaaz gewon Azarja, en Azarja gewon Johanan;

  • 72%

    11En Nahesson gewon Salma, en Salma gewon Boaz.

    12En Boaz gewon Obed, en Obed gewon Isai,

    13En Isai gewon Eliab, zijn eerstgeborene, en Abinadab, den tweede, en Simea, den derde,

    14Nethaneel, den vierde, Raddai, den vijfde,

  • 11Attai de zesde; Eliel de zevende;

  • Luk 3:31-32
    2 verzen
    71%

    31Den zoon van Meleas, den zoon van Mainan, den zoon van Mattatha, den zoon van Nathan, den zoon van David,

    32Den zoon van Jesse, den zoon van Obed, den zoon van Booz, den zoon van Salmon, den zoon van Nahasson,

  • 22En Obed gewon Isai; en Isai gewon David.

  • Matt 1:12-14
    3 verzen
    70%

    12En na de Babylonische overvoering gewon Jechonias Salathiel, en Salathiel gewon Zorobabel;

    13En Zorobabel gewon Abiud, en Abiud gewon Eljakim, en Eljakim gewon Azor;

    14En Azor gewon Sadok, en Sadok gewon Achim, en Achim gewon Eliud;

  • 70%

    11En Azarja gewon Amarja, en Amarja gewon Ahitub;

    12En Ahitub gewon Zadok, en Zadok gewon Sallum;

  • 36Jig-al, de zoon van Nathan, van Zoba; Bani, de Gadiet;

  • 41Uria, de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai;

  • 69%

    41Den zoon van Ethni, den zoon van Zerah, den zoon van Adaja,

    42Den zoon van Ethan, den zoon van Zimma, den zoon van Simei,

  • 69%

    28En de kinderen van Onam waren Sammai en Jada. En de kinderen van Sammai: Nadab en Abisur.

    29De naam nu der huisvrouw van Abisur was Abihail: die baarde hem Achban en Molid.

  • 6En Jessai gewon David, den koning; en David, den koning, gewon Salomon bij degene, die Uria's vrouw was geweest;

  • 20En na haar nam hij Maacha, de dochter van Absalom; deze baarde hem Abia, en Attai, en Ziza, en Selomith.

  • 36En Achaz gewon Jehoadda, en Jehoadda gewon Alemeth, en Azmaveth, en Zimri; Zimri nu gewon Moza;

  • Neh 12:10-11
    2 verzen
    68%

    10Jesua nu gewon Jojakim, en Jojakim gewon Eljasib, en Eljasib gewon Jojada,

    11En Jojada gewon Jonathan, en Jonathan gewon Jaddua.

  • 53Zadok zijn zoon; Ahimaaz zijn zoon.

  • 37En Ziza, de zoon van Sifei, den zoon van Allon, den zoon van Jedaja, den zoon van Simri, den zoon van Semaja;

  • 2En Reaja, de zoon van Sobal, gewon Jahath, en Jahath gewon Ahumai en Lahad; dit zijn de huisgezinnen der Zorathieten;

  • 45De kinderen van Sammai nu waren Maon; en Maon was de vader van Beth-Zur.

  • 31En de kinderen van Appaim waren Jisei; en de kinderen van Jisei waren Sesan; en de kinderen van Sesan, Achlai.

  • 26Elkana; dezes zoon was Elkana; zijn zoon was Zofai; en zijn zoon was Nahath;

  • 42En Achaz gewon Jaera, en Jaera gewon Alemeth, en Azmaveth, en Zimri; en Zimri gewon Moza;

  • 31En Gedor, en Ahio, en Zecher.

  • 36Den zoon van Elkana, den zoon van Joel, den zoon van Azarja, den zoon van Zefanja,

  • 7En Naaman, en Ahia, en Gera; dezen voerde hij weg; en hij gewon Uzza en Ahihud.

  • 39En Ner gewon Kis, en Kis gewon Saul, en Saul gewon Jonathan, en Malchi-sua, en Abinadab, en Esbaal.

  • 4Te Jeruzalem dan woonden sommigen van de kinderen van Juda, en van de kinderen van Benjamin. Van de kinderen van Juda: Athaja, de zoon van Uzzia, den zoon van Zacharja, den zoon van Amarja, den zoon van Sefatja, den zoon van Mahalaleel, van de kinderen van Perez;

  • 33Ner nu gewon Kis, en Kis gewon Saul, en Saul gewon Jonathan, en Malchi-sua, Abinadab, en Esbaal.

  • 5Dezen nu zijn hem te Jeruzalem geboren: Simea, en Sobab, en Nathan, en Salomo; deze vier zijn van Bath-Sua, de dochter van Ammiel;

  • 33De kinderen van Jonathan nu waren Peleth en Zaza. Dit waren de kinderen van Jerahmeel.

  • 39En Selemja, en Nathan, en Adaja,

  • 2Den zoon van Sallum, den zoon van Zadok, den zoon van Ahitub,

  • 8De kinderen van Zatthu, negenhonderd zestig.