2 Samuël 23:35
Hezrai, de Karmeliet; Paerai, de Arbiet;
Hezrai, de Karmeliet; Paerai, de Arbiet;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
35Ahiam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elifal, de zoon van Ur;
36Hefer, de Mecherathiet; Ahia, de Peloniet;
37Hezro, de Karmeliet; Naari, de zoon van Ezbai;
25Samma, de Harodiet; Elika, de Harodiet;
26Helez, de Paltiet; Ira, de zoon van Ikes, de Thekoiet;
27Abi-ezer, de Anetothiet; Mebunnai, de Husathiet;
28Zalmon, de Ahohiet; Maharai, de Netofathiet;
29Heleb, de zoon van Baena, de Netofathiet; Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins;
30Benaja, de Pirhathoniet; Hiddai, van de beken van Gaas;
31Abi-Albon, de Arbathiet; Azmaveth, de Barhumiet;
32Eljachba, de Saalboniet; van de zonen van Jazen, Jonathan;
33Samma, de Harariet; Ahiam, de zoon van Sarar, de Harariet;
34Elifelet, de zoon van Ahasbai, de zoon van een Maachathiet; Eliam, de zoon van Achitofel, de Giloniet;
27Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet;
28Ira, de zoon van Ikkes, de Thekoiet; Abiezer, de Anathothiet;
29Sibbechai, de Husathiet; Ilai, de Ahohiet;
30Maharai, de Netofathiet; Heled, de zoon van Baana, de Netofathiet;
31Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins; Benaja, de Pirhathoniet;
32Hurai, van de beken van Gaas; Abiel; de Arbathiet;
33Azmaveth, de Baharumiet; Eljahba, de Saalboniet;
36Jig-al, de zoon van Nathan, van Zoba; Bani, de Gadiet;
37Zelek, de Ammoniet; Naharai, de Beerothiet, de wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;
38Ira, de Jethriet; Gareb, de Jethriet;
5Eluzai, en Jerimoth, en Bealja, en Semarja, en Sefatja, de Harufiet;
39Zelek, de Ammoniet; Nahrai, de Berothiet, wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;
40Ira, de Jithriet; Gareb, de Jithriet;
41Uria, de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai;
15Van Harim, Adna; van Merajoth, Helkai;
17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,
5Harim, Meremoth, Obadja,
17Ater, Hizkia, Azzur,
20En Eljoenai, en Zillethai, en Eliel,
6Van Hezron het geslacht der Hezronieten; van Karmi het geslacht der Karmieten.
23En de kinderen van Nearja waren Eljoenai, en Hizkia, en Azrikam; drie.
15Het zeventiende voor Hezir, het achttiende voor Happizzes,
22En Jispan, en Eber, en Eliel,
23En Abdon, en Zichri, en Hanan,
20Van Sallai, Kallai; van Amok, Heber;
8De kinderen van Ethan nu waren Azaria.
20Magpias, Mesullam, Hezir,
40Machnadbai, Sasai, Sarai,
17En Zadok, zoon van Ahitub, en Achimelech, zoon van Abjathar, waren priesters; en Seraja was schrijver.
15En Zebadja, en Arad, en Eder,
25En Hazor-Hadattha, en Kerioth-Hezron, dat is Hazor,
25Rehum, Hasabna, Maaseja,
5En Gera, en Sefufan, en Huram.
2Amarja, Malluch, Hattus,
25En Seja was schrijver; en Zadok en Abjathar waren priesters.
27Malluch, Harim, Baana.
27En Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Palet,