Genesis 46:23
En de zonen van Dan: Chusim.
En de zonen van Dan: Chusim.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
42Dit zijn de zonen van Dan, naar hun geslachten: van Suham het geslacht der Suhamieten; dat zijn de geslachten van Dan, naar hun geslachten.
43Al de geslachten der Suhamieten, naar hun getelden, waren vier en zestig duizend en vierhonderd.
24En de zonen van Nafthali: Jahzeel, en Guni, en Jezer, en Sillem.
1Dezen zijn de kinderen van Israel: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issaschar en Zebulon,
2Dan, Jozef en Benjamin, Nafthali, Gad en Aser.
12Van Dan, Ahiezer, de zoon van Ammisaddai.
39Van Sefufam het geslacht der Sufamieten; van Hufam het geslacht der Hufamieten.
3Issaschar, Zebulon, en Benjamin;
4Dan en Nafthali, Gad en Aser.
24De zonen van Rachel: Jozef en Benjamin.
25En de zonen van Bilha, Rachels dienstmaagd: Dan en Nafthali.
21En de zonen van Benjamin: Bela, Becher en Asbel, Gera en Naaman, Echi en Ros, Muppim en Huppim, en Ard.
22Dit zijn de zonen van Rachel, die Jakob geboren zijn, al te zamen veertien zielen.
11En uit Husim gewon hij Abitub en Elpaal.
12Daartoe Suppim en Huppim waren kinderen van Ir, en Husim, kinderen van Aher.
13De kinderen van Nafthali waren Jahziel, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha.
9En de zonen van Ruben: Hanoch, en Pallu, en Hezron, en Karmi.
10En de zonen van Simeon: Jemuel, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zoar, en Saul, de zoon ener Kanaanietische vrouw.
13En de zonen van Issaschar: Tola, en Puwa, en Job, en Simron.
14En de zonen van Zebulon: Sered, en Elon, en Jahleel.
38Van de zonen van Dan, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
39Waren hun getelden van den stam van Dan twee en zestig duizend en zevenhonderd.
47Doch de landpale der kinderen van Dan was hun klein uitgekomen; daarom togen de kinderen van Dan op, en krijgden tegen Lesem, en namen haar in, en sloegen haar met de scherpte des zwaards, en erfden haar, en woonden daarin; en zij noemden Lesem, Dan, naar den naam van hun vader Dan.
48Dit is het erfdeel van de stam der kinderen van Dan, naar hun huisgezinnen, deze steden en haar dorpen.
29En zij noemden den naam der stad Dan, naar den naam huns vaders Dan, die aan Israel geboren was; hoewel de naam dezer stad te voren Lais was.
19De kinderen van Hasum, tweehonderd drie en twintig.
24Van Jasub het geslacht der Jasubieten; van Simron het geslacht der Simronieten.
49Van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Sillem het geslacht der Sillemieten.
20En de kinderen van Simon nu waren Amnon en Rinna, Ben-hanan en Tilon; en de kinderen van Isei waren Zoheth en Ben-Zoheth.
46De kinderen van Hagab, de kinderen van Samlai, de kinderen van Hanan;
2Van de kinderen van Pinehas, Gersom; van de kinderen van Ithamar, Daniel; van de kinderen van David, Hattus.
26En dit zijn de zonen van Dison: Hemdan, en Esban, en Ithran, en Cheran.
19De zonen van Rachel, Jakobs huisvrouw: Jozef en Benjamin.
16En de zonen van Gad: Zifjon en Haggi, Schuni en Ezbon, Eri en Arodi, en Areli.
17En de zonen van Aser: Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Berija, en Sera, hun zuster; en de zonen van Berija: Heber en Malchiel.
23Het zestiende voor Hananja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
40Het zevende lot ging uit voor den stam der kinderen van Dan, naar hun huisgezinnen.
6Toen zeide Rachel: God heeft mij gericht, en ook mijn stem verhoord, en heeft mij een zoon gegeven; daarom noemde zij zijn naam Dan.