1 Kronieken 24:26
De kinderen van Merari waren Maheli en Musi. De kinderen van Jaazia waren Beno.
De kinderen van Merari waren Maheli en Musi. De kinderen van Jaazia waren Beno.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
27De kinderen van Merari van Jaazia waren Beno, en Soham, en Zakkur, en Hibri.
28Van Maheli was Eleazar; en die had geen kinderen.
29Aangaande Kis: de kinderen van Kis waren Jerahmeel.
30En de kinderen van Musi waren Maheli, en Eder, en Jerimoth. Dezen zijn de kinderen der Levieten, naar hun vaderlijke huizen.
19De kinderen van Merari waren Maheli en Musi. En dit zijn de huisgezinnen der Levieten, naar hun vaderen.
20Van Gerson: zijn zoon was Libni; zijn zoon Jahath; zijn zoon Zimma;
21De kinderen van Merari waren Maheli en Musi; de kinderen van Maheli waren Eleazar en Kis.
19En Amram nam Jochebed, zijn moei, zich tot huisvrouw, en zij baarde hem Aaron en Mozes; en de jaren des levens van Amram waren honderd zeven en dertig jaren.
20En de zonen van Merari, naar hun geslachten: Maheli en Musi; dit zijn de geslachten der Levieten, naar het huis hunner vaderen.
43Den zoon van Jahath, den zoon van Gerson, den zoon van Levi.
44Hunne broeders nu, de kinderen van Merari, stonden aan de linker zijde, namelijk Ethan, de zoon van Kisi, den zoon van Abdi, den zoon van Malluch,
45Den zoon van Hasabja, den zoon van Amazia, den zoon van Hilkia,
46Den zoon van Amzi, den zoon van Bani, den zoon van Semer,
47Den zoon van Maheli, den zoon van Musi, den zoon van Merari, den zoon van Levi.
29De kinderen van Merari waren Maheli; zijn zoon Libni; zijn zoon Simei; zijn zoon Uzza;
30Zijn zoon Simea; zijn zoon Haggija; zijn zoon Asaja.
25En van Israel: van de kinderen van Paros: Ramja, en Jezia, en Malchia, en Mijamim, en Eleazar, en Malchia, en Benaja.
38De zonen van Benjamin, naar hun geslachten: van Bela het geslacht der Belaieten; van Asbel het geslacht der Asbelieten; van Ahiram het geslacht der Ahirmieten;
33Van Merari is het geslacht der Mahelieten, en het geslacht der Musieten; dit zijn de geslachten van Merari.
16Zo zijn dan de kinderen van Levi: Gerson, Kahath en Merari.
23De kinderen van Musi waren Maheli, en Eder, en Jeremoth; drie.
14Van de Levieten nu waren Semaja, de zoon van Hasub, den zoon van Azrikam, den zoon van Hasabja, van de kinderen van Merari;
1De kinderen van Levi waren Gerson, Kahath en Merari.
11En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merari.
6Van de kinderen van Merari was Asaja overste, en van zijn broederen waren tweehonderd en twintig.
36En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,
46Eliel Hammahavim en Jeribai, en Josavia, de zonen van Elnaam; en Jithma, de Moabiet;
29En van de kinderen van Bani: Mesullam, Malluch en Adaja, Jasub en Seal, Jeramoth.
30En van de kinderen van Pahath-Moab: Adna, en Chelal, Benaja, Maaseja, Mattanja, Bezaleel, en Binnui, en Manasse.
22Van de Jizharieten was Selomoth; van de kinderen van Selomoth was Jahath.
23En van de kinderen van Hebron was Jeria de eerste, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, Jekameam de vierde.
24Van de kinderen van Uzziel was Micha; van de kinderen van Micha was Samir;
25De broeder van Micha was Jissia; van de kinderen van Jissia was Zecharja.
4Aangaande Heman: de kinderen van Heman waren Bukkia, Mattanja, Uzziel, Sebuel, en Jerimoth, Hananja, Hanani, Eliatha, Giddalti, en Romamthi-Ezer, Josbekasa, Mallothi, Hothir, Mahazioth.
24Het zeventiende voor Josbekasa; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
32Benjamin, Malluch, Semarja.
33Van de kinderen van Hasum: Mathnai, Mattata, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse, Simei.
19En Hasabja, en met hem Jesaja, van de kinderen van Merari, met zijn broederen, en hun zonen, twintig;
10De kinderen van Jediael nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeus en Benjamin, en Ehud, en Chenaana, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar.
10De kinderen van Simei nu waren Jahath, Zina, en Jeus, en Beria; dezen waren de kinderen van Simei; vier.
11En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar Jeus en Beria hadden niet vele kinderen; daarom waren zij in het vaderlijke huis maar van een telling.
35Benaja, Bedeja, Cheluhu,
7En dit zijn de kinderen van Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, den zoon van Joed, den zoon van Pedaja, den zoon van Kolaja, den zoon van Maaseja, den zoon van Ithiel, den zoon van Jesaja;
21En de zonen van Benjamin: Bela, Becher en Asbel, Gera en Naaman, Echi en Ros, Muppim en Huppim, en Ard.
37Mattanja, Mathnai, en Jaasai,
7Mesullam, Abia, Mijamin,
26Het negentiende voor Mallothi; zijn zonen en zijn broederen; twaalf.
43Van de kinderen van Nebo: Jeiel, Mattithja, Zabad, Zebina, Jaddai, en Joel, Benaja.
42En de getelden van de geslachten der zonen van Merari, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen,
40Den zoon van Michael, den zoon van Baeseja, den zoon van Malchija,