1 Kronieken 25:22

Statenvertaling (States Bible)

Het vijftiende voor Jeremoth; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

Aanvullende bronnen

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 86%

    9Het eerste lot nu ging uit voor Asaf, namelijk voor Jozef. Het tweede voor Gedalja; hij en zijn broederen, en zijn zonen, waren twaalf.

    10Het derde voor Zakkur; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    11Het vierde voor Jizri; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    12Het vijfde voor Nethanja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    13Het zesde voor Bukkia; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    14Het zevende voor Jesarela; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    15Het achtste voor Jesaja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    16Het negende voor Mattanja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    17Het tiende voor Simei; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    18Het elfde voor Azareel; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    19Het twaalfde voor Hasabja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    20Het dertiende voor Subael; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    21Het veertiende voor Mattithja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

  • 85%

    23Het zestiende voor Hananja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    24Het zeventiende voor Josbekasa; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    25Het achttiende voor Hanani; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    26Het negentiende voor Mallothi; zijn zonen en zijn broederen; twaalf.

    27Het twintigste voor Eliatha; zijn zonen en zijn broederen; twaalf.

    28Het een en twintigste voor Hothir; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    29Het twee en twintigste voor Giddalti; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    30Het drie en twintigste voor Mahazioth; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    31Het vier en twintigste voor Romamthi-Ezer; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

  • 10Mismanna de vierde; Jirmeja de vijfde;

  • 19Aangaande de kinderen van Hebron: Jeria was het hoofd, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, en Jekameam de vierde.

  • 73%

    12Johanan de achtste; Elzabad de negende;

    13Jirmeja de tiende; Machbannai de elfde.

  • 72%

    29Aangaande Kis: de kinderen van Kis waren Jerahmeel.

    30En de kinderen van Musi waren Maheli, en Eder, en Jerimoth. Dezen zijn de kinderen der Levieten, naar hun vaderlijke huizen.

  • 23En van de kinderen van Hebron was Jeria de eerste, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, Jekameam de vierde.

  • 15Van Harim, Adna; van Merajoth, Helkai;

  • 23De kinderen van Musi waren Maheli, en Eder, en Jeremoth; drie.

  • 71%

    3Aangaande Jeduthun: de kinderen van Jeduthun waren Gedalja, en Zeri, en Jesaja, Hasabja en Mattithja, zes; aan de handen van hun vader Jeduthun, op harpen profeterende met den HEERE te danken en te loven.

    4Aangaande Heman: de kinderen van Heman waren Bukkia, Mattanja, Uzziel, Sebuel, en Jerimoth, Hananja, Hanani, Eliatha, Giddalti, en Romamthi-Ezer, Josbekasa, Mallothi, Hothir, Mahazioth.

  • 70%

    12Het elfde voor Eljasib, het twaalfde voor Jakim,

    13Het dertiende voor Huppa, het veertiende voor Jesebeab,

    14Het vijftiende voor Bilga, het zestiende voor Immer,

  • 11Hilkia was de tweede, Tebalja de derde, Zecharja de vierde; al de kinderen en broederen van Hosa waren dertien.

  • 11En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar Jeus en Beria hadden niet vele kinderen; daarom waren zij in het vaderlijke huis maar van een telling.

  • 19En Hasabja, en met hem Jesaja, van de kinderen van Merari, met zijn broederen, en hun zonen, twintig;

  • 6Van de kinderen van Merari was Asaja overste, en van zijn broederen waren tweehonderd en twintig.

  • 26En van de kinderen van Elam: Mattanja, Zacharja, en Jehiel, en Abdi, en Jeremoth, en Elia.

  • 34Juda, en Benjamin, en Semaja, en Jeremia;

  • 69%

    16Het negentiende voor Petahja, het twintigste voor Jehezkel,

    17Het een en twintigste voor Jachin, het twee en twintigste voor Gamul,

  • 21Zijn zoon Joah; zijn zoon Iddo; zijn zoon Zerah; zijn zoon Jeathrai.

  • 14En Ahjo, Sasak en Jeremoth,

  • 5Harim, Meremoth, Obadja,

  • 19Over Zebulon was Jismaja, de zoon van Obadja; over Nafthali was Jerimoth, de zoon van Azriel;

  • 3Elam de vijfde, Johanan de zesde, Eljoenai de zevende.

  • 22De kinderen van Jehieli waren Zetham en Joel, zijn broeder; dezen waren over de schatten van het huis des HEEREN.