1 Kronieken 24:16
Het negentiende voor Petahja, het twintigste voor Jehezkel,
Het negentiende voor Petahja, het twintigste voor Jehezkel,
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
17Het een en twintigste voor Jachin, het twee en twintigste voor Gamul,
18Het drie en twintigste voor Delaja, het vier en twintigste voor Maazja.
7Het eerste lot nu ging uit voor Jojarib, het tweede voor Jedaja,
8Het derde voor Harim, het vierde voor Seorim,
9Het vijfde voor Malchia, het zesde voor Mijamin,
10Het zevende voor Hakkoz, het achtste voor Abia,
11Het negende voor Jesua, het tiende voor Sechanja,
12Het elfde voor Eljasib, het twaalfde voor Jakim,
13Het dertiende voor Huppa, het veertiende voor Jesebeab,
14Het vijftiende voor Bilga, het zestiende voor Immer,
15Het zeventiende voor Hezir, het achttiende voor Happizzes,
21Het veertiende voor Mattithja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
22Het vijftiende voor Jeremoth; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
23Het zestiende voor Hananja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
24Het zeventiende voor Josbekasa; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
10Mismanna de vierde; Jirmeja de vijfde;
11Attai de zesde; Eliel de zevende;
12Johanan de achtste; Elzabad de negende;
13Jirmeja de tiende; Machbannai de elfde.
26Het negentiende voor Mallothi; zijn zonen en zijn broederen; twaalf.
27Het twintigste voor Eliatha; zijn zonen en zijn broederen; twaalf.
24En Petahja, de zoon van Mesezabeel, van de kinderen van Zerah, den zoon van Juda, was aan des konings hand, in alle zaken tot het volk.
19En van Jojarib, Matthenai; van Jedaja, Uzzi;
15Het achtste voor Jesaja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
16Het negende voor Mattanja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
19En Hasabja, en met hem Jesaja, van de kinderen van Merari, met zijn broederen, en hun zonen, twintig;
2Meselemja nu had kinderen; Zecharja was de eerstgeborene, Jediael de tweede, Zebadja de derde, Jathniel de vierde,
3Elam de vijfde, Johanan de zesde, Eljoenai de zevende.
24Hallohes, Pilha, Sobek,
20Magpias, Mesullam, Hezir,
21Mesezabeel, Zadok, Jaddua,
22Pelatja, Hanan, Anaja,
16Van Iddo, Zacharia; van Ginnethon, Mesullam;
21Van Hilkia, Hasabja; van Jedaja, Nethaneel.
29Het twee en twintigste voor Giddalti; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
30Het drie en twintigste voor Mahazioth; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
24En Hananja, en Elam, en Antothija,
19Aangaande de kinderen van Hebron: Jeria was het hoofd, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, en Jekameam de vierde.
23En van de kinderen van Hebron was Jeria de eerste, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, Jekameam de vierde.
19Het twaalfde voor Hasabja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
26En van de kinderen van Elam: Mattanja, Zacharja, en Jehiel, en Abdi, en Jeremoth, en Elia.
15De twaalfde, in de twaalfde maand, was Heldai, de Nethofathiet, van Othniel; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.
12En Adaja, de zoon van Jeroham, den zoon van Pashur, den zoon van Malchija; en Massi, de zoon van Adiel, den zoon van Jahzera, den zoon van Mesullam, den zoon van Mesillemith, den zoon van Immer.
12En hun broederen, die het werk in het huis deden, waren achthonderd twee en twintig. En Adaja, de zoon van Jeroham, den zoon van Pelalja, den zoon van Amzi, den zoon van Zacharja, den zoon van Pashur, den zoon van Malchia;
20En Eljoenai, en Zillethai, en Eliel,
22En van de kinderen van Pashur: Eljoenai, Maaseja, Ismael, Nethaneel, Jozabad en Elasa.
23En van de Levieten: Jozabad, en Simei, en Kelaja (deze is Kelita), Pethahja, Juda en Eliezer.
2Amarja, Malluch, Hattus,
36En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,
15Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.