Numeri 11:35

Statenvertaling (States Bible)

Van Kibroth Thaava verreisde het volk naar Hazeroth; en zij bleven in Hazeroth.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Num 33:17 : 17 En zij verreisden van Kibroth-Thaava, en legerden zich in Hazeroth.
  • Num 12:16 : 16 Maar daarna verreisde het volk van Hazeroth, en zij legerden zich in de woestijn van Paran.
  • Deut 1:1 : 1 Dit zijn de woorden, die Mozes tot gans Israel gesproken heeft, aan deze zijde van de Jordaan, in de woestijn, op het vlakke veld tegenover Suf, tussen Paran en tussen Tofel, en Laban, en Hazeroth, en Dizahab.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Num 33:15-18
    4 verzen
    90%

    15En zij verreisden van Rafidim, en legerden zich in de woestijn van Sinai.

    16En zij verreisden uit de woestijn van Sinai, en legerden zich in Kibroth-Thaava.

    17En zij verreisden van Kibroth-Thaava, en legerden zich in Hazeroth.

    18En zij verreisden van Hazeroth, en legerden zich in Rithma.

  • Num 12:15-16
    2 verzen
    80%

    15Zo werd Mirjam buiten het leger zeven dagen gesloten; en het volk verreisde niet, totdat Mirjam aangenomen werd.

    16Maar daarna verreisde het volk van Hazeroth, en zij legerden zich in de woestijn van Paran.

  • 34Daarom heet men den naam derzelver plaats Kibroth Thaava; want daar begroeven zij het volk, dat belust was geweest.

  • Num 33:29-37
    9 verzen
    76%

    29En zij verreisden van Mithka, en legerden zich in Hasmona.

    30En zij verreisden van Hasmona, en legerden zich in Moseroth.

    31En zij verreisden van Moseroth, en legerden zich in Bene-Jaakan.

    32En zij verreisden van Bene-Jaakan, en legerden zich in Hor-Gidgad.

    33En zij verreisden van Hor-gidgad, en legerden zich in Jotbatha.

    34En zij verreisden van Jotbatha, en legerden zich in Abrona.

    35En zij verreisden van Abrona, en legerden zich in Ezeon-Geber.

    36En zij verreisden van Ezeon-Geber, en legerden zich in de woestijn Zin, dat is Kades.

    37En zij verreisden van Kades, en legerden zich aan den berg Hor, aan het einde des lands van Edom.

  • 22Toen reisden zij van Kades; en de kinderen Israels kwamen, de ganse vergadering, aan den berg Hor.

  • 25En Hazor-Hadattha, en Kerioth-Hezron, dat is Hazor,

  • 41En zij verreisden van den berg Hor, en legerden zich in Zalmona.

  • Num 33:22-27
    6 verzen
    73%

    22En zij verreisden van Rissa, en legerden zich in Kehelatha.

    23En zij verreisden van Kehelatha, en legerden zich in het gebergte van Safer.

    24En zij verreisden van het gebergte Safer, en legerden zich in Harada.

    25En zij verreisden van Harada, en legerden zich in Makheloth.

    26En zij verreisden van Makheloth, en legerden zich in Tachath.

    27En zij verreisden van Tachath, en legerden zich in Tharah.

  • 2Elf dag reizen zijn het van Horeb, door den weg van het gebergte Seir, tot aan Kades-Barnea.

  • Num 21:11-12
    2 verzen
    72%

    11Daarna reisden zij van Oboth, en legerden zich aan de heuvelen van Abarim in de woestijn, die tegenover Moab is, tegen den opgang der zon.

    12Van daar reisden zij, en legerden zich bij de beek Zered.

  • 4Toen reisden zij van den berg Hor, op den weg der Schelfzee, dat zij om het land der Edomieten heentogen; doch de ziel des volks werd verdrietig op dezen weg.

  • 27En te Hazar-Sual, en in Ber-Seba, en haar onderhorige plaatsen,

  • 22Ook vertoorndet gij den HEERE zeer te Thab-era en te Massa, en te Kibroth-Thaava.

  • Num 33:7-8
    2 verzen
    71%

    7En zij verreisden van Etham, en keerden weder naar Pi-hachiroth, dat tegenover Baal-Sefon is, en zij legerden zich voor Migdol.

    8En zij verreisden van Hachiroth, en gingen over, door het midden van de zee, naar de woestijn, en zij gingen drie dagreizen in de woestijn Etham, en legerden zich in Mara.

  • 44En zij verreisden van Oboth, en legerden zich aan de heuvelen van Abarim, in de landpale van Moab.

  • 19Toen vertogen wij van Horeb, en doorwandelden die gans grote en vreselijke woestijn, die gij gezien hebt, op den weg van het gebergte der Amorieten, gelijk de HEERE, onze God, ons geboden had; en wij kwamen tot Kades-Barnea.

  • 20Alzo reisden zij uit Sukkoth; en zij legerden zich in Etham, aan het einde der woestijn.

  • Num 33:10-12
    3 verzen
    70%

    10En zij verreisden van Elim, en legerden zich aan de Schelfzee.

    11En zij verreisden van de Schelfzee, en legerden zich in de woestijn Sin.

    12En zij verreisden uit de woestijn Sin, en zij legerden zich in Dofka.

  • 16Want als zij uit Egypte optogen, zo wandelde Israel door de woestijn tot aan de Schelfzee, en kwam te Kades.

  • Num 33:47-48
    2 verzen
    70%

    47En zij verreisden van Almon-Diblathaim, en legerden zich in de bergen Abarim, tegen Nebo.

    48En zij verreisden van de bergen Abarim, en legerden zich in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho.

  • 3Daarom noemde hij den naam dier plaats Thab-era, omdat het vuur des HEEREN onder hen gebrand had.

  • 28En Hazar-Sual, en Beer-Seba, en Bizjotheja,

  • 5En wat Hij ulieden gedaan heeft in de woestijn, totdat gij gekomen zijt aan deze plaats.

  • 1Dit zijn de reizen der kinderen Israels, die uit Egypteland uitgetogen zijn, naar hun heiren, door de hand van Mozes en Aaron.

  • 36En Adama, en Rama, en Hazor,