Numeri 33:7
En zij verreisden van Etham, en keerden weder naar Pi-hachiroth, dat tegenover Baal-Sefon is, en zij legerden zich voor Migdol.
En zij verreisden van Etham, en keerden weder naar Pi-hachiroth, dat tegenover Baal-Sefon is, en zij legerden zich voor Migdol.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
8En zij verreisden van Hachiroth, en gingen over, door het midden van de zee, naar de woestijn, en zij gingen drie dagreizen in de woestijn Etham, en legerden zich in Mara.
9En zij verreisden van Mara, en kwamen te Elim; in Elim nu waren twaalf waterfonteinen en zeventig palmbomen, en zij legerden zich aldaar.
10En zij verreisden van Elim, en legerden zich aan de Schelfzee.
11En zij verreisden van de Schelfzee, en legerden zich in de woestijn Sin.
12En zij verreisden uit de woestijn Sin, en zij legerden zich in Dofka.
13En zij verreisden van Dofka, en legerden zich in Aluz.
1Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
2Spreek tot de kinderen Israels, dat zij wederkeren, en zich legeren voor Pi-Hachiroth, tussen Migdol en tussen de zee, voor Baal-Zefon; daar tegenover zult gij u legeren aan de zee.
3Farao dan zal zeggen van de kinderen Israels: Zij zijn verward in het land; die woestijn heeft hen besloten.
5Als de kinderen Israels van Rameses verreisd waren, zo legerden zij zich te Sukkoth.
6En zij verreisden van Sukkoth, en legerden zich in Etham, hetwelk aan het einde der woestijn is.
15En zij verreisden van Rafidim, en legerden zich in de woestijn van Sinai.
16En zij verreisden uit de woestijn van Sinai, en legerden zich in Kibroth-Thaava.
17En zij verreisden van Kibroth-Thaava, en legerden zich in Hazeroth.
18En zij verreisden van Hazeroth, en legerden zich in Rithma.
19En zij verreisden van Rithma, en legerden zich in Rimmon-Perez.
20Alzo reisden zij uit Sukkoth; en zij legerden zich in Etham, aan het einde der woestijn.
22En zij verreisden van Rissa, en legerden zich in Kehelatha.
23En zij verreisden van Kehelatha, en legerden zich in het gebergte van Safer.
24En zij verreisden van het gebergte Safer, en legerden zich in Harada.
25En zij verreisden van Harada, en legerden zich in Makheloth.
26En zij verreisden van Makheloth, en legerden zich in Tachath.
27En zij verreisden van Tachath, en legerden zich in Tharah.
28En zij verreisden van Tharah, en legerden zich in Mithka.
29En zij verreisden van Mithka, en legerden zich in Hasmona.
30En zij verreisden van Hasmona, en legerden zich in Moseroth.
31En zij verreisden van Moseroth, en legerden zich in Bene-Jaakan.
32En zij verreisden van Bene-Jaakan, en legerden zich in Hor-Gidgad.
33En zij verreisden van Hor-gidgad, en legerden zich in Jotbatha.
35En zij verreisden van Abrona, en legerden zich in Ezeon-Geber.
36En zij verreisden van Ezeon-Geber, en legerden zich in de woestijn Zin, dat is Kades.
37En zij verreisden van Kades, en legerden zich aan den berg Hor, aan het einde des lands van Edom.
9En de Egyptenaars jaagden hen na, en achterhaalden hen, daar zij zich gelegerd hadden aan de zee; al de paarden, de wagens van Farao en zijn ruiters, en zijn heir; nevens Pi-Hachiroth, voor Baal-Zefon.
10Als Farao nabij gekomen was, zo hieven de kinderen Israels hun ogen op, en ziet, de Egyptenaars togen achter hen; en zij vreesden zeer; toen riepen de kinderen Israels tot den HEERE.
43En zij verreisden van Funon, en legerden zich in Oboth.
44En zij verreisden van Oboth, en legerden zich aan de heuvelen van Abarim, in de landpale van Moab.
45En zij verreisden van de heuvelen van Abarim, en legerden zich in Dibon-Gad.
46En zij verreisden van Dibon-Gad, en legerden zich in Almon-Diblathaim.
47En zij verreisden van Almon-Diblathaim, en legerden zich in de bergen Abarim, tegen Nebo.
48En zij verreisden van de bergen Abarim, en legerden zich in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho.
49En zij legerden zich aan de Jordaan van Beth-Jesimoth, tot aan Abel-Sittim, in de vlakke velden der Moabieten.
2Want zij togen uit Rafidim, en kwamen in de woestijn Sinai, en zij legerden zich in de woestijn; Israel nu legerde zich aldaar tegenover dien berg.
17En het is geschied, toen Farao het volk had laten trekken, zo leidde hen God niet op den weg van het land der Filistijnen, hoewel die nader was; want God zeide: Dat het den volke niet rouwe, als zij den strijd zien zouden, en wederkeren naar Egypte.
18Maar God leidde het volk om, langs den weg van de woestijn der Schelfzee. De kinderen Israels nu togen bij vijven uit Egypteland.
12Van daar reisden zij, en legerden zich bij de beek Zered.
40Gij daarentegen, keert u, en reist naar de woestijn, den weg van de Schelfzee.
41En zij verreisden van den berg Hor, en legerden zich in Zalmona.
33Zo togen zij drie dagreizen van den berg des HEEREN; en de ark des verbonds des HEEREN reisde voor hun aangezicht drie dagreizen, om voor hen een rustplaats uit te speuren.
35Van Kibroth Thaava verreisde het volk naar Hazeroth; en zij bleven in Hazeroth.
1Dit zijn de reizen der kinderen Israels, die uit Egypteland uitgetogen zijn, naar hun heiren, door de hand van Mozes en Aaron.