Numeri 21:12
Van daar reisden zij, en legerden zich bij de beek Zered.
Van daar reisden zij, en legerden zich bij de beek Zered.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
13Van daar reisden zij, en legerden zich aan deze zijde van de Arnon, welke in de woestijn is, uitgaande uit de landpalen der Amorieten; want de Arnon is de landpale van Moab, tussen Moab en tussen de Amorieten.
10Toen verreisden de kinderen Israels, en zij legerden zich te Oboth.
11Daarna reisden zij van Oboth, en legerden zich aan de heuvelen van Abarim in de woestijn, die tegenover Moab is, tegen den opgang der zon.
15En zij verreisden van Rafidim, en legerden zich in de woestijn van Sinai.
16En zij verreisden uit de woestijn van Sinai, en legerden zich in Kibroth-Thaava.
17En zij verreisden van Kibroth-Thaava, en legerden zich in Hazeroth.
18En zij verreisden van Hazeroth, en legerden zich in Rithma.
19En zij verreisden van Rithma, en legerden zich in Rimmon-Perez.
20En zij verreisden van Rimmon-Perez, en legerden zich in Libna.
21En zij verreisden van Libna, en legerden zich in Rissa.
22En zij verreisden van Rissa, en legerden zich in Kehelatha.
23En zij verreisden van Kehelatha, en legerden zich in het gebergte van Safer.
24En zij verreisden van het gebergte Safer, en legerden zich in Harada.
25En zij verreisden van Harada, en legerden zich in Makheloth.
26En zij verreisden van Makheloth, en legerden zich in Tachath.
27En zij verreisden van Tachath, en legerden zich in Tharah.
28En zij verreisden van Tharah, en legerden zich in Mithka.
29En zij verreisden van Mithka, en legerden zich in Hasmona.
30En zij verreisden van Hasmona, en legerden zich in Moseroth.
31En zij verreisden van Moseroth, en legerden zich in Bene-Jaakan.
32En zij verreisden van Bene-Jaakan, en legerden zich in Hor-Gidgad.
33En zij verreisden van Hor-gidgad, en legerden zich in Jotbatha.
34En zij verreisden van Jotbatha, en legerden zich in Abrona.
35En zij verreisden van Abrona, en legerden zich in Ezeon-Geber.
36En zij verreisden van Ezeon-Geber, en legerden zich in de woestijn Zin, dat is Kades.
37En zij verreisden van Kades, en legerden zich aan den berg Hor, aan het einde des lands van Edom.
41En zij verreisden van den berg Hor, en legerden zich in Zalmona.
42En zij verreisden van Zalmona, en legerden zich in Funon.
43En zij verreisden van Funon, en legerden zich in Oboth.
44En zij verreisden van Oboth, en legerden zich aan de heuvelen van Abarim, in de landpale van Moab.
45En zij verreisden van de heuvelen van Abarim, en legerden zich in Dibon-Gad.
46En zij verreisden van Dibon-Gad, en legerden zich in Almon-Diblathaim.
47En zij verreisden van Almon-Diblathaim, en legerden zich in de bergen Abarim, tegen Nebo.
48En zij verreisden van de bergen Abarim, en legerden zich in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho.
49En zij legerden zich aan de Jordaan van Beth-Jesimoth, tot aan Abel-Sittim, in de vlakke velden der Moabieten.
1Daarna reisden de kinderen van Israel, en legerden zich in de vlakken velden van Moab, aan deze zijde van de Jordaan van Jericho.
13Nu, maakt u op, en trekt over de beek Zered. Alzo trokken wij over de beek Zered.
16Maar daarna verreisde het volk van Hazeroth, en zij legerden zich in de woestijn van Paran.
5En zij gingen over de Jordaan, en legerden zich bij Aroer, ter rechterhand der stad, die in het midden is van de beek van Gad, en aan Jaezer.
18Daarna wandelde hij in de woestijn, en toog om het land der Edomieten en het land der Moabieten, en kwam van den opgang der zon aan het land der Moabieten, en zij legerden zich op gene zijde van de Arnon; maar zij kwamen niet binnen de landpale der Moabieten; want de Arnon is de landpale der Moabieten.
10En zij verreisden van Elim, en legerden zich aan de Schelfzee.
11En zij verreisden van de Schelfzee, en legerden zich in de woestijn Sin.
35Van Kibroth Thaava verreisde het volk naar Hazeroth; en zij bleven in Hazeroth.
21Alzo trokken zij op, en verspiedden het land, van de woestijn Zin af tot Rechob toe, waar men gaat naar Hamath.
7En zij verreisden van Etham, en keerden weder naar Pi-hachiroth, dat tegenover Baal-Sefon is, en zij legerden zich voor Migdol.
15En den afloop der beken, die zich naar de gelegenheid van Ar wendt, en leent aan de landpale van Moab.)
2Want zij togen uit Rafidim, en kwamen in de woestijn Sinai, en zij legerden zich in de woestijn; Israel nu legerde zich aldaar tegenover dien berg.