Numeri 12:16
Maar daarna verreisde het volk van Hazeroth, en zij legerden zich in de woestijn van Paran.
Maar daarna verreisde het volk van Hazeroth, en zij legerden zich in de woestijn van Paran.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
12En de kinderen Israels togen op, naar hun tochten, uit de woestijn Sinai; en de wolk bleef in de woestijn Paran.
13Alzo togen zij vooreerst op, naar den mond des HEEREN, door de hand van Mozes.
15En zij verreisden van Rafidim, en legerden zich in de woestijn van Sinai.
16En zij verreisden uit de woestijn van Sinai, en legerden zich in Kibroth-Thaava.
17En zij verreisden van Kibroth-Thaava, en legerden zich in Hazeroth.
18En zij verreisden van Hazeroth, en legerden zich in Rithma.
19En zij verreisden van Rithma, en legerden zich in Rimmon-Perez.
35Van Kibroth Thaava verreisde het volk naar Hazeroth; en zij bleven in Hazeroth.
15Zo werd Mirjam buiten het leger zeven dagen gesloten; en het volk verreisde niet, totdat Mirjam aangenomen werd.
12Van daar reisden zij, en legerden zich bij de beek Zered.
13Van daar reisden zij, en legerden zich aan deze zijde van de Arnon, welke in de woestijn is, uitgaande uit de landpalen der Amorieten; want de Arnon is de landpale van Moab, tussen Moab en tussen de Amorieten.
35En zij verreisden van Abrona, en legerden zich in Ezeon-Geber.
36En zij verreisden van Ezeon-Geber, en legerden zich in de woestijn Zin, dat is Kades.
37En zij verreisden van Kades, en legerden zich aan den berg Hor, aan het einde des lands van Edom.
41En zij verreisden van den berg Hor, en legerden zich in Zalmona.
42En zij verreisden van Zalmona, en legerden zich in Funon.
43En zij verreisden van Funon, en legerden zich in Oboth.
44En zij verreisden van Oboth, en legerden zich aan de heuvelen van Abarim, in de landpale van Moab.
24En zij verreisden van het gebergte Safer, en legerden zich in Harada.
25En zij verreisden van Harada, en legerden zich in Makheloth.
26En zij verreisden van Makheloth, en legerden zich in Tachath.
27En zij verreisden van Tachath, en legerden zich in Tharah.
28En zij verreisden van Tharah, en legerden zich in Mithka.
29En zij verreisden van Mithka, en legerden zich in Hasmona.
30En zij verreisden van Hasmona, en legerden zich in Moseroth.
31En zij verreisden van Moseroth, en legerden zich in Bene-Jaakan.
32En zij verreisden van Bene-Jaakan, en legerden zich in Hor-Gidgad.
6En zij verreisden van Sukkoth, en legerden zich in Etham, hetwelk aan het einde der woestijn is.
7En zij verreisden van Etham, en keerden weder naar Pi-hachiroth, dat tegenover Baal-Sefon is, en zij legerden zich voor Migdol.
8En zij verreisden van Hachiroth, en gingen over, door het midden van de zee, naar de woestijn, en zij gingen drie dagreizen in de woestijn Etham, en legerden zich in Mara.
6En de Horieten op hun gebergte Seir, tot aan het effen veld van Paran, hetwelk aan de woestijn is.
22En zij verreisden van Rissa, en legerden zich in Kehelatha.
2Want zij togen uit Rafidim, en kwamen in de woestijn Sinai, en zij legerden zich in de woestijn; Israel nu legerde zich aldaar tegenover dien berg.
10En zij verreisden van Elim, en legerden zich aan de Schelfzee.
11En zij verreisden van de Schelfzee, en legerden zich in de woestijn Sin.
12En zij verreisden uit de woestijn Sin, en zij legerden zich in Dofka.
13En zij verreisden van Dofka, en legerden zich in Aluz.
17Maar nadat de wolk opgeheven werd van boven de tent, zo verreisden ook daarna de kinderen Israels; en in de plaats, waar de wolk bleef, daar legerden zich de kinderen Israels.
2Elf dag reizen zijn het van Horeb, door den weg van het gebergte Seir, tot aan Kades-Barnea.
22Toen reisden zij van Kades; en de kinderen Israels kwamen, de ganse vergadering, aan den berg Hor.
47En zij verreisden van Almon-Diblathaim, en legerden zich in de bergen Abarim, tegen Nebo.
48En zij verreisden van de bergen Abarim, en legerden zich in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho.
19Toen vertogen wij van Horeb, en doorwandelden die gans grote en vreselijke woestijn, die gij gezien hebt, op den weg van het gebergte der Amorieten, gelijk de HEERE, onze God, ons geboden had; en wij kwamen tot Kades-Barnea.
18Daarna wandelde hij in de woestijn, en toog om het land der Edomieten en het land der Moabieten, en kwam van den opgang der zon aan het land der Moabieten, en zij legerden zich op gene zijde van de Arnon; maar zij kwamen niet binnen de landpale der Moabieten; want de Arnon is de landpale der Moabieten.
16Want als zij uit Egypte optogen, zo wandelde Israel door de woestijn tot aan de Schelfzee, en kwam te Kades.
20Alzo reisden zij uit Sukkoth; en zij legerden zich in Etham, aan het einde der woestijn.