1 Kronieken 4:28

Statenvertaling (States Bible)

En zij woonden te Ber-seba, en te Molada, en te Hazar-Sual,

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Joz 19:2-3 : 2 En zij hadden in hun erfdeel: Beer-seba, en Seba, en Molada, 3 En Hazar-Sual, en Bala, en Azem,
  • Joz 19:9 : 9 Het erfdeel der kinderen van Simeon is onder het snoer der kinderen van Juda; want het erfdeel der kinderen van Juda was te groot voor hen; daarom erfden de kinderen van Simeon in het midden van hun erfdeel.
  • Joz 15:28-29 : 28 En Hazar-Sual, en Beer-Seba, en Bizjotheja, 29 Baala, en Ijim, en Azem,

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Joz 15:24-29
    6 verzen
    83%

    24Zif, en Telem, en Bealoth,

    25En Hazor-Hadattha, en Kerioth-Hezron, dat is Hazor,

    26Amam, en Sema, en Molada,

    27En Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Palet,

    28En Hazar-Sual, en Beer-Seba, en Bizjotheja,

    29Baala, en Ijim, en Azem,

  • Neh 11:26-28
    3 verzen
    81%

    26En te Jesua, en te Molada, en te Beth-Pelet,

    27En te Hazar-Sual, en in Ber-Seba, en haar onderhorige plaatsen,

    28En te Ziklag, en in Mechona en haar onderhorige plaatsen,

  • Joz 19:2-3
    2 verzen
    79%

    2En zij hadden in hun erfdeel: Beer-seba, en Seba, en Molada,

    3En Hazar-Sual, en Bala, en Azem,

  • 78%

    29En te Bilha, en te Ezem, en te Tholad,

    30En te Bethuel, en te Horma, en te Ziklag,

    31En te Beth-markaboth, en te Hazar-Susim, en te Beth-Biri, en te Saaraim. Dit waren hun steden, totdat David koning werd.

  • 37Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beera.

  • 33En hij noemde denzelven Seba; daarom is de naam dier stad Ber-seba, tot op dezen dag.

  • 37De kinderen van Rehuel waren Nahath, Zerah, Samma en Mizza.

  • Neh 11:30-31
    2 verzen
    73%

    30Zanoah, Adullam en haar dorpen, Lachis en haar akkers, Azeka en haar onderhorige plaatsen; en zij legerden zich van Ber-seba af tot aan het dal Hinnom.

    31De kinderen van Benjamin nu van Geba woonden in Michmas, en Aja, en Beth-El, en haar onderhorige plaatsen,

  • 73%

    26De kinderen van Misma waren dezen: Hammuel zijn zoon, Zaccur zijn zoon, Simei zijn zoon.

    27Simei nu had zestien zonen en zes dochteren; maar zijn broeders hadden niet veel kinderen; en hun ganse huisgezin werd zo zeer niet vermenigvuldigd, als van de kinderen van Juda.

  • 9De zoon van Deker in Makaz, en in Saalbim, en Beth-Semes, en Elon-Beth-hanan.

  • 22En Chesed, en Hazo, en Pildas, en Jidlaf, en Bethuel;

  • 7En zij kwamen tot de vesting van Tyrus, en alle steden der Hevieten en der Kanaanieten; en zij kwamen uit aan het zuiden van Juda te Ber-seba.

  • 22Daartoe Jokim, en de mannen van Chozeba, en Joas, en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en de Jasubilehem; doch deze dingen zijn oud.

  • 33En al haar dorpen, die in den omloop dezer steden waren, tot Baal toe. Dit zijn hun woningen en hun geslachtsrekening voor hen.

  • 10De kinderen van Simei nu waren Jahath, Zina, en Jeus, en Beria; dezen waren de kinderen van Simei; vier.

  • 22En Ebal, en Abimael, en Scheba,

  • 71%

    37En Gedor, en Ahio, en Zacharja, en Mikloth.

    38Mikloth nu gewon Simeam; dezen woonden ook te Jeruzalem, tegenover hun broederen, met hun broederen.

  • 19Toen keerde Abraham weder tot zijn jongeren, en zij maakten zich op, en zij gingen samen naar Ber-seba; en Abraham woonde te Ber-seba.

  • 1 Kron 4:2-3
    2 verzen
    70%

    2En Reaja, de zoon van Sobal, gewon Jahath, en Jahath gewon Ahumai en Lahad; dit zijn de huisgezinnen der Zorathieten;

    3En dezen zijn van den vader Etam: Jizreel, en Isma, en Idbas; en de naam hunner zuster was Hazelelponi.

  • 17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,

  • 70%

    31En Gedor, en Ahio, en Zecher.

    32En Mikloth gewon Simea; en dezen woonden ook tegenover hun broederen te Jeruzalem, met hun broederen.

  • 5En Ziklag, en Beth-hammerchaboth, en Hazar-Suza,

  • Joz 15:36-37
    2 verzen
    70%

    36En Saaraim, en Adithaim, en Gedera, en Gederothaim; veertien steden en haar dorpen.

    37Zenan, en Hadasa, en Migdal-gad,

  • 23Daarna toog hij van daar op naar Ber-seba.

  • 40De kinderen van Sobal waren Aljan, en Manahath, en Ebal, Sefi en Onam; en de kinderen van Zibeon waren Aja en Ana.

  • 31Daarom noemde men die plaats Ber-seba, omdat die beiden daar gezworen hadden.

  • 22En Beth-araba, en Zemaraim, en Beth-El,

  • 8En Bela, de zoon van Azaz, den zoon van Sema, den zoon van Joel, die woonde te Aroer, en tot aan Nebo, en Baal-Meon,

  • 34Hadid, Zeboim, Neballat,

  • 16En zij woonden in Gilead, in Basan, en in haar onderhorige plaatsen, en in al de voorsteden van Saron, tot aan hun uitgangen.

  • 7En Beth-Zur, en Socho, en Adullam,

  • 22En Jispan, en Eber, en Eliel,

  • 28En tot die te Aroer, en tot die te Sifmoth, en tot die te Esthemoa,