Jozua 19:7
Ain, Rimmon, en Ether, en Asan; vier steden en haar dorpen;
Ain, Rimmon, en Ether, en Asan; vier steden en haar dorpen;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
31En te Beth-markaboth, en te Hazar-Susim, en te Beth-Biri, en te Saaraim. Dit waren hun steden, totdat David koning werd.
32En hun dorpen waren Etam en Ain, Rimmon en Tochen, en Asan; vijf steden.
33En al haar dorpen, die in den omloop dezer steden waren, tot Baal toe. Dit zijn hun woningen en hun geslachtsrekening voor hen.
5En Ziklag, en Beth-hammerchaboth, en Hazar-Suza,
6En Beth-Lebaoth, en Saruhen; dertien steden en haar dorpen.
8En al de dorpen, die rondom deze steden waren, tot Baalath-Beer, dat is Ramath tegen het zuiden. Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Simeon, naar hun huisgezinnen.
18En hun landpale was Jizreela, en Chesulloth, en Sunem,
19En Hafaraim, en Sion, en Anacharath,
20En Rabbith, en Kisjon, en Ebez,
21En Remeth, en En-gannim, en En-hadda, en Beth-Pazzez.
22En deze landpale reikt aan Thabor, en Sahazima, en Beth-Semes; en de uitgangen van hun landpale zijn aan de Jordaan; zestien steden en haar dorpen.
23Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Issaschar, naar hun huisgezinnen, de steden en haar dorpen.
24Toen ging het vijfde lot voor den stam der kinderen van Aser uit, naar hun huisgezinnen.
25En hun landpale was Helkath, en Hali, en Beten, en Achsaf,
37En Kedes, en Edrei, en En-Hazor,
38En Jiron, en Migdal-El, Horem en Beth-Anath, en Beth-Semes; negentien steden en haar dorpen.
39Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Nafthali, naar hun huisgezinnen, de steden en haar dorpen.
32En Lebaoth, en Silhim, en Ain, en Rimmon. Al deze steden zijn negen en twintig en haar dorpen.
59En Asan en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden.
60Van den stam van Benjamin nu: Geba en haar voorsteden, en Allemeth en haar voorsteden, en Anathoth en haar voorsteden. Al hun steden, in hun huisgezinnen, waren dertien steden.
30En Umma, en Afek, en Rehob; twee en twintig steden en haar dorpen.
31Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Aser, naar hun huisgezinnen, deze steden en haar dorpen.
29Jarmuth en haar voorsteden, En-gannim en haar voorsteden: vier steden.
30En van den stam van Aser, Misal en haar voorsteden, Abdon en haar voorsteden;
31En Helkath en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden: vier steden.
16En Ain en haar voorsteden, en Jutta en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden; negen steden van deze twee stammen.
39Hesbon en haar voorsteden, Jaezer en haar voorsteden: al die steden zijn vier.
42Libna, en Ether, en Asan,
22En Kibzaim en haar voorsteden, en Beth-horon en haar voorsteden: vier steden.
59En Maarath, en Beth-Anoth, en Eltekon; zes steden en haar dorpen.
37Kedemoth en haar voorsteden, en Mefaath en haar voorsteden: vier steden.
9Verder gaven zij van den stam der kinderen van Juda, en van den stam der kinderen van Simeon, deze steden, die men bij name noemde;
24Ajalon en haar voorsteden, Gath-Rimmon en haar voorsteden: vier steden.
25En van den halven stam van Manasse, Thaanach en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden: twee steden.
15En Kattath, en Nahalal, en Simron, en Jidala, en Bethlehem; twaalf steden en haar dorpen.
36En Saaraim, en Adithaim, en Gedera, en Gederothaim; veertien steden en haar dorpen.
27En Rekem, en Jirpeel, en Tharala,
37Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beera.
24Chefar-haammonai, en Ofni, en Gaba; twaalf steden en haar dorpen.
25Gibeon, en Rama, en Beeroth,
19De kinderen van Semida nu waren Ahjan, en Sechem, en Likhi, en Aniam.
35Dimna en haar voorsteden, Nahalal en haar voorsteden: vier steden.
19En Kirjathaim, en Sibma, en Zeret-Hassahar op den berg des dals,
54En Humta, en Kirjath-Arba, die is Hebron, en Zior; negen steden en haar dorpen.
6En aan den kinderen van Gerson, van de huisgezinnen van den stam van Issaschar, en van den stam van Aser, en van den stam van Nafthali, en van den halven stam van Manasse, in Bazan, bij het lot, dertien steden.
7Aan de kinderen van Merari, naar hun huisgezinnen, van den stam van Ruben, en van den stam van Gad, en van den stam van Zebulon, twaalf steden.
4Toen ging het lot uit voor de huisgezinnen der Kahathieten; en voor de kinderen van Aaron, den priester, uit de Levieten, waren van den stam van Juda, en van den stam van Simeon, en van den stam van Benjamin, door het lot, dertien steden.
57Kain, Gibea, en Timna; tien steden en haar dorpen.
18Anathoth en haar voorsteden, en Almon en haar voorsteden: vier steden.
19Al de steden der kinderen van Aaron, de priesteren, waren dertien steden en haar voorsteden.