1 Kronieken 6:69
En Ajalon en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden.
En Ajalon en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
64Alzo gaven de kinderen Israels aan de Levieten deze steden en haar voorsteden.
65En zij gaven ze bij het lot, van den stam der kinderen van Juda, en van den stam der kinderen van Simeon, en van den stam der kinderen van Benjamin, deze steden, dewelke zij bij namen noemden.
66Aan de overigen nu, uit de huisgezinnen der kinderen van Kahath, dien gewerden steden hunner landpale, van den stam van Efraim.
67Want zij gaven hun van de vrijsteden, Sichem en haar voorsteden op het gebergte van Efraim, en Gezer en haar voorsteden,
68En Jokmeam en haar voorsteden, en Beth-horon en haar voorsteden,
22En Kibzaim en haar voorsteden, en Beth-horon en haar voorsteden: vier steden.
23En van den stam van Dan, Elteke en haar voorsteden, Gibbethon en haar voorsteden;
24Ajalon en haar voorsteden, Gath-Rimmon en haar voorsteden: vier steden.
25En van den halven stam van Manasse, Thaanach en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden: twee steden.
55En zij gaven hun Hebron, in het land van Juda, en haar voorsteden rondom dezelve.
56Maar het veld der stad, en haar dorpen, gaven zij Kaleb, den zoon van Jefunne.
57En den kinderen van Aaron gaven zij steden van Juda, de vrijstad Hebron, en Libna en haar voorsteden, en Jattir en Esthemoa, en haar voorsteden,
58En Hilen en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden,
59En Asan en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden.
60Van den stam van Benjamin nu: Geba en haar voorsteden, en Allemeth en haar voorsteden, en Anathoth en haar voorsteden. Al hun steden, in hun huisgezinnen, waren dertien steden.
70En uit den halven stam van Manasse: Aner en haar voorsteden, en Bileam en haar voorsteden. De huisgezinnen der overige kinderen van Kahath hadden deze steden:
71De kinderen van Gerson hadden van de huisgezinnen van den halven stam van Manasse: Golan in Basan en haar voorsteden, en Astharoth, en haar voorsteden.
79En Kedemoth en haar voorsteden, en Mefaath en haar voorsteden;
80En van den stam van Gad: Ramoth in Gilead, en haar voorsteden, en Mahanaim en haar voorsteden,
81En Hesbon en haar voorsteden, en Jaezer en haar voorsteden.
73En Ramoth en haar voorsteden, en Anem en haar voorsteden.
74En van den stam van Aser: Masal en haar voorsteden, en Abdor en haar voorsteden,
75En Hukok en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden.
76En van den stam van Nafthali: Kedes in Galilea, en haar voorsteden, en Hammon en haar voorsteden, en Kirjathaim en haar voorsteden.
42En Saalabbin, en Ajalon, en Jithla,
43En Elon, en Timnatha, en Ekron,
44En Elteke, en Gibbethon, en Baalath,
45En Jehud, en Bene-Berak, en Gath-Rimmon,
58Halhul, Beth-Zur, en Gedor,
59En Maarath, en Beth-Anoth, en Eltekon; zes steden en haar dorpen.
14En Jatthir en haar voorsteden, en Esthemoa en haar voorsteden;
15En Holon en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden;
16En Ain en haar voorsteden, en Jutta en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden; negen steden van deze twee stammen.
17En van den stam van Benjamin, Gibeon en haar voorsteden, Geba en haar voorsteden;
18Anathoth en haar voorsteden, en Almon en haar voorsteden: vier steden.
31De kinderen van Benjamin nu van Geba woonden in Michmas, en Aja, en Beth-El, en haar onderhorige plaatsen,
8En Gath, en Maresa, en Zif,
9En Adoraim, en Lachis, en Azeka,
10En Zora, en Ajalon, en Hebron; dewelke in Juda en in Benjamin de vaste steden waren.
13En Beria, en Sema; dezen waren hoofden der vaderen van de inwoners te Ajalon; dezen hebben de inwoners van Gath verdreven.
6En Beth-Lebaoth, en Saruhen; dertien steden en haar dorpen.
7Ain, Rimmon, en Ether, en Asan; vier steden en haar dorpen;
51En Gosen, en Holon, en Gilo; elf steden en haar dorpen.
56En Jizreel, en Jokdeam, en Zanoah,
29Jarmuth en haar voorsteden, En-gannim en haar voorsteden: vier steden.
33Hazor, Rama, Gitthaim,
21En Remeth, en En-gannim, en En-hadda, en Beth-Pazzez.
53En Janum, en Beth-Tappuah, en Afeka,
26En te Jesua, en te Molada, en te Beth-Pelet,
18Daartoe waren de Filistijnen in de steden der laagte en het zuiden van Juda ingevallen, en hadden ingenomen Beth-Semes, en Ajalon, en Gederoth, en Socho en haar onderhorige plaatsen, en Timna en haar onderhorige plaatsen, en Gimzo en haar onderhorige plaatsen; en zij woonden aldaar.