1 Kronieken 6:73
En Ramoth en haar voorsteden, en Anem en haar voorsteden.
En Ramoth en haar voorsteden, en Anem en haar voorsteden.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
74En van den stam van Aser: Masal en haar voorsteden, en Abdor en haar voorsteden,
75En Hukok en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden.
76En van den stam van Nafthali: Kedes in Galilea, en haar voorsteden, en Hammon en haar voorsteden, en Kirjathaim en haar voorsteden.
77De overige kinderen van Merari hadden van den stam van Zebulon: Rimmono en haar voorsteden, Thabor en haar voorsteden;
78En aan gene zijde van de Jordaan tegen Jericho, tegen het oosten aan de Jordaan, van den stam van Ruben: Bezer in de woestijn, en haar voorsteden, en Jahza en haar voorsteden,
79En Kedemoth en haar voorsteden, en Mefaath en haar voorsteden;
80En van den stam van Gad: Ramoth in Gilead, en haar voorsteden, en Mahanaim en haar voorsteden,
81En Hesbon en haar voorsteden, en Jaezer en haar voorsteden.
67Want zij gaven hun van de vrijsteden, Sichem en haar voorsteden op het gebergte van Efraim, en Gezer en haar voorsteden,
68En Jokmeam en haar voorsteden, en Beth-horon en haar voorsteden,
69En Ajalon en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden.
70En uit den halven stam van Manasse: Aner en haar voorsteden, en Bileam en haar voorsteden. De huisgezinnen der overige kinderen van Kahath hadden deze steden:
71De kinderen van Gerson hadden van de huisgezinnen van den halven stam van Manasse: Golan in Basan en haar voorsteden, en Astharoth, en haar voorsteden.
72En van den stam van Issaschar: Kedes en haar voorsteden, Dobrath en haar voorsteden,
58En Hilen en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden,
59En Asan en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden.
60Van den stam van Benjamin nu: Geba en haar voorsteden, en Allemeth en haar voorsteden, en Anathoth en haar voorsteden. Al hun steden, in hun huisgezinnen, waren dertien steden.
35Dimna en haar voorsteden, Nahalal en haar voorsteden: vier steden.
36En van den stam van Ruben, Bezer en haar voorsteden, en Jahza en haar voorsteden;
37Kedemoth en haar voorsteden, en Mefaath en haar voorsteden: vier steden.
38Van den stam van Gad nu, de vrijstad des doodslagers, Ramoth in Gilead, en haar voorsteden, en Mahanaim en haar voorsteden;
32Anathoth, Nob, Ananja,
33Hazor, Rama, Gitthaim,
23En Kedes, en Hazor, en Jithnan,
36En Adama, en Rama, en Hazor,
37En Kedes, en Edrei, en En-Hazor,
50En Anab, en Estemo, en Anim,
6En Beth-Lebaoth, en Saruhen; dertien steden en haar dorpen.
7Ain, Rimmon, en Ether, en Asan; vier steden en haar dorpen;
29Jarmuth en haar voorsteden, En-gannim en haar voorsteden: vier steden.
30En van den stam van Aser, Misal en haar voorsteden, Abdon en haar voorsteden;
31En Helkath en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden: vier steden.
59En Maarath, en Beth-Anoth, en Eltekon; zes steden en haar dorpen.
21En Remeth, en En-gannim, en En-hadda, en Beth-Pazzez.
26En van Hesbon af tot Ramath-Mizpa en Betonim; en van Mahanaim tot aan de landpale van Debir;
27En in het dal, Beth-haram, en Beth-nimra, en Sukkoth, en Zefon, wat over was van het koninkrijk van Sihon, den koning te Hesbon, de Jordaan en haar landpale, tot aan het einde der zee van Cinnereth, over de Jordaan, tegen het oosten.
53En Janum, en Beth-Tappuah, en Afeka,
18En Jahza, en Kedemoth, en Mefaath,
19En Hafaraim, en Sion, en Anacharath,
26Amam, en Sema, en Molada,
28En tot die te Aroer, en tot die te Sifmoth, en tot die te Esthemoa,
56En Jizreel, en Jokdeam, en Zanoah,
43Bezer in de woestijn, in het effen land, voor de Rubenieten; en Ramoth in Gilead, voor de Gadieten; en Golan in Bazan, voor de Manassieten.
3Ataroth, en Dibon, en Jaezer, en Nimra, en Hesbon, en Eleale, en Schebam, en Nebo, en Behon;
25En van den halven stam van Manasse, Thaanach en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden: twee steden.
30En Umma, en Afek, en Rehob; twee en twintig steden en haar dorpen.
18Anathoth en haar voorsteden, en Almon en haar voorsteden: vier steden.
23En over Kirjathaim, en over Beth-Gamul, en over Beth-Meon,
64Alzo gaven de kinderen Israels aan de Levieten deze steden en haar voorsteden.
27En te Hazar-Sual, en in Ber-Seba, en haar onderhorige plaatsen,