Nehemia 11:32
Anathoth, Nob, Ananja,
Anathoth, Nob, Ananja,
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
18Hodia, Hasum, Bezai,
19Harif, Anathoth, Nebai,
20Magpias, Mesullam, Hezir,
33Hazor, Rama, Gitthaim,
34Hadid, Zeboim, Neballat,
35Lod, en Ono, in het dal der werkmeesters.
36Van de Levieten nu, woonden sommigen in de verdelingen van Juda, en van Benjamin.
25In de dorpen nu op hun akkers woonden sommigen van de kinderen van Juda, in Kirjath-Arba en haar onderhorige plaatsen, en in Dibon en haar onderhorige plaatsen, en in Jekabzeel en haar dorpen;
26En te Jesua, en te Molada, en te Beth-Pelet,
27En te Hazar-Sual, en in Ber-Seba, en haar onderhorige plaatsen,
28En te Ziklag, en in Mechona en haar onderhorige plaatsen,
29En te En-Rimmon, en te Zora, en te Jarmuth,
30Zanoah, Adullam en haar dorpen, Lachis en haar akkers, Azeka en haar onderhorige plaatsen; en zij legerden zich van Ber-seba af tot aan het dal Hinnom.
31De kinderen van Benjamin nu van Geba woonden in Michmas, en Aja, en Beth-El, en haar onderhorige plaatsen,
22De mannen van Netofa, zes en vijftig.
23De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig.
23En zij zullen geen overblijfsel hebben; want Ik zal een kwaad brengen over de mannen van Anathoth, in het jaar hunner bezoeking.
23En Abdon, en Zichri, en Hanan,
24En Hananja, en Elam, en Antothija,
26En Ahia, Hanan, Anan,
21Daarom, zo zegt de HEERE van de mannen van Anathoth, die uw ziel zoeken, zeggende: Profeteer niet in den Naam des HEEREN, opdat gij van onze handen niet sterft.
18Anathoth en haar voorsteden, en Almon en haar voorsteden: vier steden.
27De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig;
22Pelatja, Hanan, Anaja,
30Roep luide met uw stem, gij dochter van Gallim! laat ze horen tot Lais toe, o ellendige Anathoth!
31Madmena vliedt weg, de inwoners van Gebim vluchten met hopen.
3En dit zijn de hoofden van het landschap, die te Jeruzalem woonden; (maar in de steden van Juda woonden, een iegelijk op zijn bezitting, in hun steden, Israel, de priesters, en de Levieten, en de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo).
24En de kinderen van Eljoenai waren Hodajeva, en Eljasib, en Pelaja, en Akkub, en Johanan, en Delaja, en Anani; zeven.
50En Anab, en Estemo, en Anim,
19En Hafaraim, en Sion, en Anacharath,
13Hodia, Bani, Beninu;
42En Nobah ging heen, en nam Kenath in, met haar onderhorige plaatsen, en noemde ze Nobah naar zijn naam.
34En Zanoah, en En-gannim, Tappuah, en Enam,
11Attai de zesde; Eliel de zevende;
12Johanan de achtste; Elzabad de negende;
38En Bani, en Binnui, Simei,
39En Selemja, en Nathan, en Adaja,
56En Jizreel, en Jokdeam, en Zanoah,
60Van den stam van Benjamin nu: Geba en haar voorsteden, en Allemeth en haar voorsteden, en Anathoth en haar voorsteden. Al hun steden, in hun huisgezinnen, waren dertien steden.
23En Kedes, en Hazor, en Jithnan,
3Ataroth, en Dibon, en Jaezer, en Nimra, en Hesbon, en Eleale, en Schebam, en Nebo, en Behon;
1De woorden van Jeremia, den zoon van Hilkia, uit de priesteren, die te Anathoth waren, in het land van Benjamin;
35En Atroth-Sofan, en Jaezer, en Jogbeha,
11Toen zond de koning heen, om den priester Achimelech, den zoon van Ahitub, te roepen, en zijns vaders ganse huis, de priesters, die te Nob waren; en zij kwamen allen tot den koning.
9En Adoraim, en Lachis, en Azeka,
32En Lebaoth, en Silhim, en Ain, en Rimmon. Al deze steden zijn negen en twintig en haar dorpen.
36Vanja, Meremoth, Eljasib,
27Nu dan, waarom hebt gij Jeremia, den Anathothiet, niet gescholden, die zich bij ulieden voor een profeet uitgeeft?
22En Beth-araba, en Zemaraim, en Beth-El,
28En van de kinderen van Bebai: Johanan, Hananja, Sabbai, en Athlai.