Jozua 12:14

Statenvertaling (States Bible)

De koning van Horma, een; de koning van Harad, een;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Num 21:1 : 1 Als de Kanaaniet, de koning van Harad, wonende tegen het zuiden, hoorde, dat Israel door den weg der verspieders kwam, zo streed hij tegen Israel, en hij voerde enige gevangenen uit denzelven gevankelijk weg.
  • Num 21:3 : 3 De HEERE dan verhoorde de stem van Israel, en gaf de Kanaanieten over; en hij verbande hen en hun steden; en hij noemde den naam dier plaats Horma.
  • Num 14:45 : 45 Toen kwamen af de Amalekieten en de Kanaanieten, die in dat gebergte woonden, en sloegen hen, en versmeten hen, tot Horma toe.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Joz 12:9-13
    5 verzen
    86%

    9De koning van Jericho, een; de koning van Ai, die ter zijde van Beth-El is, een;

    10De koning van Jeruzalem, een; de koning van Hebron, een;

    11De koning van Jarmuth, een; de koning van Lachis, een;

    12De koning van Eglon, een; de koning Gezer, een;

    13De koning van Debir, een; de koning van Geder, een;

  • Joz 12:15-24
    10 verzen
    85%

    15De koning van Libna, een; de koning van Adullam, een;

    16De koning van Makkeda, een; de koning van Beth-El, een;

    17De koning van Tappuah, een; de koning van Hefer, een;

    18De koning van Afek, een; de koning van Lassaron, een;

    19De koning van Madon, een; de koning van Hazor, een;

    20De koning van Simron-Meron, een; de koning van Achsaf, een;

    21De koning van Taanach, een; de koning van Megiddo, een;

    22De koning van Kedes, een; de koning van Jokneam, aan den Karmel, een;

    23De koning van Dor, tot Nafath-Dor, een; de koning der heidenen te Gilgal, een;

    24De koning van Thirza, een. Al deze koningen zijn een en dertig.

  • 1Als de Kanaaniet, de koning van Harad, wonende tegen het zuiden, hoorde, dat Israel door den weg der verspieders kwam, zo streed hij tegen Israel, en hij voerde enige gevangenen uit denzelven gevankelijk weg.

  • 40En de Kanaaniet, de koning van Harad, die in het zuiden woonde in het land Kanaan, hoorde, dat de kinderen Israels aankwamen.

  • Joz 15:30-31
    2 verzen
    72%

    30En Eltholad, en Chesil, en Horma,

    31En Ziklag, en Madmanna, en Sanzanna,

  • Joz 12:1-2
    2 verzen
    72%

    1Dit nu zijn de koningen des lands, die de kinderen Israels geslagen hebben, en hun land erfelijk bezaten, aan gene zijde van de Jordaan, tegen den opgang der zon; van de beek Arnon af tot den berg Hermon, en het ganse vlakke veld tegen het oosten:

    2Sihon, de koning der Amorieten, die te Hesbon woonde; die van Aroer af heerste, welke aan den oever der beek Arnon is, en over het midden der beek en de helft van Gilead, en tot aan de beek Jabbok, de landpale der kinderen Ammons;

  • Gen 14:1-2
    2 verzen
    71%

    1En het geschiedde in de dagen van Amrafel, de koning van Sinear, van Arioch, de koning van Ellasar, van Kedor-Laomer, de koning van Elam, en van Tideal, den koning der volken;

    2Dat zij krijg voerden met Bera, koning van Sodom, en met Birsa, koning van Gomorra, Sinab, koning van Adama, en Semeber, koning van Zeboim, en de koning van Bela, dat is Zoar.

  • 11Sihon, den koning der Amorieten, en Og, den koning van Basan, en al de koninkrijken van Kanaan,

  • Gen 14:5-9
    5 verzen
    69%

    5Zo kwam Kedor-Laomer in het veertiende jaar, en de koningen, die met hem waren, en sloegen de Refaiten in Asteroth-Karnaim, en de Zuzieten in Ham, en de Emieten in Schave-Kiriathaim;

    6En de Horieten op hun gebergte Seir, tot aan het effen veld van Paran, hetwelk aan de woestijn is.

    7Daarna keerden zij wederom, en kwamen tot En-Mispat, dat is Kades, en sloegen al het land der Amalekieten, en ook den Amoriet, die te Hazezon-Thamar woonde.

    8Toen toog de koning van Sodom uit, en de koning van Gomorra, en de koning van Adama, en de koning van Zeboim, en de koning van Bela, dat is Zoar; en zij stelden tegen hen slagorden in het dal Siddim,

    9Tegen Kedor-Laomer, den koning van Elam, en Tideal, den koning der volken, en Amrafel, den koning van Sinear, en Arioch, den koning van Ellasar; vier koningen tegen vijf.

  • 4En Eltholad, en Bethul, en Horma,

  • 36En Saaraim, en Adithaim, en Gedera, en Gederothaim; veertien steden en haar dorpen.

  • 30En tot die te Horma, en tot die te Chor-Asan, en tot die te Atach,

  • 15En Zebadja, en Arad, en Eder,

  • Joz 11:1-2
    2 verzen
    68%

    1Het geschiedde daarna, als Jabin, de koning van Hazor, dit hoorde, zo zond hij tot Jobab, den koning van Madon, en tot den koning van Simron, en tot den koning van Achsaf,

    2En tot de koningen, die tegen het noorden op het gebergte, en op het vlakke, tegen het zuiden van Cinneroth, en in de laagte, en in Nafoth-Dor, aan de zee waren;

  • 45Toen kwamen af de Amalekieten en de Kanaanieten, die in dat gebergte woonden, en sloegen hen, en versmeten hen, tot Horma toe.

  • 15Van Harim, Adna; van Merajoth, Helkai;

  • 19En Kirjathaim, en Sibma, en Zeret-Hassahar op den berg des dals,

  • 4Nadat hij geslagen had Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon woonde, en Og, den koning van Bazan, welke woonde in Astharoth, te Edrei.

  • 15De naam nu van Hebron was eertijds Kirjath-Arba, die een groot mens geweest is onder de Enakieten. En het land rustte van den krijg.

  • 41En Gederoth, Beth-Dagon, en Naama, en Makkeda; zestien steden en haar dorpen.

  • 14(Daarom wordt gezegd in het boek van de oorlogen des HEEREN: Tegen Waheb, in een wervelwind, en tegen de beken Arnon,

  • 54En Humta, en Kirjath-Arba, die is Hebron, en Zior; negen steden en haar dorpen.

  • 44Toen togen de Amorieten uit, die op dat gebergte woonden, u tegemoet, en vervolgden u, gelijk als de bijen doen; en zij verpletterden u in Seir tot Horma toe.

  • 34Hadid, Zeboim, Neballat,

  • 30En te Bethuel, en te Horma, en te Ziklag,

  • 18De kinderen van Jora, honderd en twaalf.

  • 37En Kedes, en Edrei, en En-Hazor,

  • 44Dezen zijn de getelden, welke Mozes geteld heeft, en Aaron, en de oversten van Israel; twaalf mannen waren zij, elk over het huis zijner vaderen.

  • 36Van Aroer af, dat aan den oever der beek Arnon is, en de stad, die aan de beek is, ook tot Gilead toe, was er geen stad, die voor ons te hoog was; de HEERE, onze God, gaf dat alles voor ons aangezicht.