Jozua 12:13
De koning van Debir, een; de koning van Geder, een;
De koning van Debir, een; de koning van Geder, een;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
8Wat op het gebergte, en in de laagte, en in het vlakke veld, en in de aflopingen der wateren, en in de woestijn, en tegen het zuiden was: de Hethieten, de Amorieten, en Kanaanieten, de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten.
9De koning van Jericho, een; de koning van Ai, die ter zijde van Beth-El is, een;
10De koning van Jeruzalem, een; de koning van Hebron, een;
11De koning van Jarmuth, een; de koning van Lachis, een;
12De koning van Eglon, een; de koning Gezer, een;
14De koning van Horma, een; de koning van Harad, een;
15De koning van Libna, een; de koning van Adullam, een;
16De koning van Makkeda, een; de koning van Beth-El, een;
17De koning van Tappuah, een; de koning van Hefer, een;
18De koning van Afek, een; de koning van Lassaron, een;
19De koning van Madon, een; de koning van Hazor, een;
20De koning van Simron-Meron, een; de koning van Achsaf, een;
21De koning van Taanach, een; de koning van Megiddo, een;
22De koning van Kedes, een; de koning van Jokneam, aan den Karmel, een;
23De koning van Dor, tot Nafath-Dor, een; de koning der heidenen te Gilgal, een;
24De koning van Thirza, een. Al deze koningen zijn een en dertig.
11En van daar was hij heengetogen tegen de inwoners van Debir; de naam nu van Debir was te voren Kirjath-Sefer.
26En van Hesbon af tot Ramath-Mizpa en Betonim; en van Mahanaim tot aan de landpale van Debir;
11Sihon, den koning der Amorieten, en Og, den koning van Basan, en al de koninkrijken van Kanaan,
3Daarom zond Adoni-Zedek, koning van Jeruzalem, tot Hoham, den koning van Hebron, en tot Pir-Am, den koning van Jarmuth, en tot Jafia, den koning van Lachis, en tot Debir, den koning van Eglon, zeggende:
15En Holon en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden;
1Dit nu zijn de koningen des lands, die de kinderen Israels geslagen hebben, en hun land erfelijk bezaten, aan gene zijde van de Jordaan, tegen den opgang der zon; van de beek Arnon af tot den berg Hermon, en het ganse vlakke veld tegen het oosten:
1Het geschiedde daarna, als Jabin, de koning van Hazor, dit hoorde, zo zond hij tot Jobab, den koning van Madon, en tot den koning van Simron, en tot den koning van Achsaf,
2En tot de koningen, die tegen het noorden op het gebergte, en op het vlakke, tegen het zuiden van Cinneroth, en in de laagte, en in Nafoth-Dor, aan de zee waren;
15En van daar toog hij opwaarts tot de inwoners van Debir, (de naam van Debir nu was te voren Kirjath-Sefer).
18En Jahza, en Kedemoth, en Mefaath,
19En Kirjathaim, en Sibma, en Zeret-Hassahar op den berg des dals,
36En Saaraim, en Adithaim, en Gedera, en Gederothaim; veertien steden en haar dorpen.
49En Danna, en Kirjath-Sanna, die is Debir,
7En Joela en Zebadja, de zonen van Jeroham, van Gedor.
38Toen keerde Jozua, en gans Israel met hem, naar Debir, en hij krijgde tegen haar.
39En hij nam haar in, met haar koning, en al haar steden, en zij sloegen haar met de scherpte des zwaards, en verbanden alle ziel, die daarin was; hij liet geen overigen overblijven; gelijk als hij aan Hebron gedaan had, alzo deed hij aan Debir en haar koning, en gelijk als hij aan Libna en haar koning gedaan had;
23En Kedes, en Hazor, en Jithnan,
16En de Jesubiet, en de Amoriet, en de Girgasiet,
45En Jehud, en Bene-Berak, en Gath-Rimmon,
23Zij nu deden alzo, en brachten tot hem uit die vijf koningen, uit de spelonk: den koning van Jeruzalem, den koning van Hebron, den koning van Jarmuth, den koning van Lachis, den koning van Eglon.
21En den Amoriet, en den Kanaaniet, en den Girgaziet, en den Jebusiet.
15En Zebadja, en Arad, en Eder,
1En het geschiedde in de dagen van Amrafel, de koning van Sinear, van Arioch, de koning van Ellasar, van Kedor-Laomer, de koning van Elam, en van Tideal, den koning der volken;
2Dat zij krijg voerden met Bera, koning van Sodom, en met Birsa, koning van Gomorra, Sinab, koning van Adama, en Semeber, koning van Zeboim, en de koning van Bela, dat is Zoar.
14En den Jebusiet, en den Amoriet, en den Girgasiet,
1Het geschiedde nu, toen Adoni-Zedek, de koning van Jeruzalem, gehoord had, dat Jozua Ai ingenomen, en haar verbannen had, en aan Ai en haar koning alzo gedaan had, gelijk als hij aan Jericho en haar koning gedaan had; en dat de inwoners van Gibeon vrede met Israel gemaakt hadden, en in derzelver midden waren;
5Toen werden verzameld en kwamen op, vijf koningen der Amorieten, de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmuth, de koning van Lachis, de koning van Eglon, zij en al hun legers; en zij belegerden Gibeon, en krijgden tegen haar.
58Halhul, Beth-Zur, en Gedor,
41En Gederoth, Beth-Dagon, en Naama, en Makkeda; zestien steden en haar dorpen.
19Geber, de zoon van Uri, was in het land Gilead, het land van Sihon, den koning der Amorieten, en van Og, den koning van Basan, en hij was de enige bestelmeester, die in dat land was.
58En Hilen en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden,
37En Kedes, en Edrei, en En-Hazor,
47Ook deed hij uit het land weg de overige schandjongens, die in de dagen van zijn vader Asa overgebleven waren.