Jozua 19:45
En Jehud, en Bene-Berak, en Gath-Rimmon,
En Jehud, en Bene-Berak, en Gath-Rimmon,
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
42En Saalabbin, en Ajalon, en Jithla,
43En Elon, en Timnatha, en Ekron,
44En Elteke, en Gibbethon, en Baalath,
46En Me-Jarkon, en Rakkon, met de landpale tegenover Jafo.
21De steden nu van den stam der kinderen van Benjamin, naar hun huisgezinnen, zijn: Jericho, en Beth-hogla, en Emek-Keziz,
22En Beth-araba, en Zemaraim, en Beth-El,
23En Haavvim, en Para, en Ofra,
24Chefar-haammonai, en Ofni, en Gaba; twaalf steden en haar dorpen.
25Gibeon, en Rama, en Beeroth,
26En Mizpa, en Chefira, en Moza,
27En Rekem, en Jirpeel, en Tharala,
19En Hafaraim, en Sion, en Anacharath,
20En Rabbith, en Kisjon, en Ebez,
21En Remeth, en En-gannim, en En-hadda, en Beth-Pazzez.
35Jarmuth, en Adullam, Socho en Azeka,
36En Saaraim, en Adithaim, en Gedera, en Gederothaim; veertien steden en haar dorpen.
37Zenan, en Hadasa, en Migdal-gad,
38En Dilan, en Mizpa, en Jokteel,
39Lachis, en Bozkath, en Eglon,
43En Jiftah, en Asna, en Nezib,
44En Kehila, en Achzib, en Mareza; negen steden en haar dorpen.
29En te En-Rimmon, en te Zora, en te Jarmuth,
68En Jokmeam en haar voorsteden, en Beth-horon en haar voorsteden,
69En Ajalon en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden.
17En van den stam van Benjamin, Gibeon en haar voorsteden, Geba en haar voorsteden;
18En Jahza, en Kedemoth, en Mefaath,
19En Kirjathaim, en Sibma, en Zeret-Hassahar op den berg des dals,
8En Gath, en Maresa, en Zif,
53En Janum, en Beth-Tappuah, en Afeka,
55Maon, Karmel, en Zif, en Juta,
56En Jizreel, en Jokdeam, en Zanoah,
58Halhul, Beth-Zur, en Gedor,
23En Kedes, en Hazor, en Jithnan,
26En te Jesua, en te Molada, en te Beth-Pelet,
37En Kedes, en Edrei, en En-Hazor,
38En Jiron, en Migdal-El, Horem en Beth-Anath, en Beth-Semes; negentien steden en haar dorpen.
41En Gederoth, Beth-Dagon, en Naama, en Makkeda; zestien steden en haar dorpen.
33Hazor, Rama, Gitthaim,
24Ajalon en haar voorsteden, Gath-Rimmon en haar voorsteden: vier steden.
31De kinderen van Benjamin nu van Geba woonden in Michmas, en Aja, en Beth-El, en haar onderhorige plaatsen,
27En wendt zich tegen den opgang der zon naar Beth-Dagon, en reikt aan Zebulon, en aan het dal Jiftha-El noordwaarts naar Beth-Emek, en Nehiel, en komt uit tot Kabul ter linkerhand;
28En Hazar-Sual, en Beer-Seba, en Bizjotheja,
13En van daar gaat zij oostwaarts door naar den opgang, naar Gath-Hefer, te Eth-Kazin, en zij komt uit te Rimmon-Methoar, hetwelk is Nea.
48Op het gebergte nu: Samir, en Jatthir, en Socho,
49En Danna, en Kirjath-Sanna, die is Debir,
21En den Amoriet, en den Kanaaniet, en den Girgaziet, en den Jebusiet.
29Jarmuth en haar voorsteden, En-gannim en haar voorsteden: vier steden.
23En over Kirjathaim, en over Beth-Gamul, en over Beth-Meon,
37En Gedor, en Ahio, en Zacharja, en Mikloth.
9De zoon van Deker in Makaz, en in Saalbim, en Beth-Semes, en Elon-Beth-hanan.