Nehemia 11:28
En te Ziklag, en in Mechona en haar onderhorige plaatsen,
En te Ziklag, en in Mechona en haar onderhorige plaatsen,
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
25In de dorpen nu op hun akkers woonden sommigen van de kinderen van Juda, in Kirjath-Arba en haar onderhorige plaatsen, en in Dibon en haar onderhorige plaatsen, en in Jekabzeel en haar dorpen;
26En te Jesua, en te Molada, en te Beth-Pelet,
27En te Hazar-Sual, en in Ber-Seba, en haar onderhorige plaatsen,
31En Ziklag, en Madmanna, en Sanzanna,
32En Lebaoth, en Silhim, en Ain, en Rimmon. Al deze steden zijn negen en twintig en haar dorpen.
33In de laagte zijn: Esthaol, en Zora, en Asna,
29En te En-Rimmon, en te Zora, en te Jarmuth,
30Zanoah, Adullam en haar dorpen, Lachis en haar akkers, Azeka en haar onderhorige plaatsen; en zij legerden zich van Ber-seba af tot aan het dal Hinnom.
31De kinderen van Benjamin nu van Geba woonden in Michmas, en Aja, en Beth-El, en haar onderhorige plaatsen,
7En Beth-Zur, en Socho, en Adullam,
8En Gath, en Maresa, en Zif,
9En Adoraim, en Lachis, en Azeka,
10En Zora, en Ajalon, en Hebron; dewelke in Juda en in Benjamin de vaste steden waren.
5En Ziklag, en Beth-hammerchaboth, en Hazar-Suza,
6En Beth-Lebaoth, en Saruhen; dertien steden en haar dorpen.
30En te Bethuel, en te Horma, en te Ziklag,
31En te Beth-markaboth, en te Hazar-Susim, en te Beth-Biri, en te Saaraim. Dit waren hun steden, totdat David koning werd.
55Maon, Karmel, en Zif, en Juta,
56En Jizreel, en Jokdeam, en Zanoah,
28En Hazar-Sual, en Beer-Seba, en Bizjotheja,
6Toen gaf Achis te dien dage Ziklag; daarom is Ziklag van de koningen van Juda geweest tot op dezen dag.
14Wij waren ingevallen tegen het zuiden van de Cherethieten, en op hetgeen van Juda is, en tegen het zuiden van Kaleb; en wij hebben Ziklag met vuur verbrand.
35Jarmuth, en Adullam, Socho en Azeka,
36En Saaraim, en Adithaim, en Gedera, en Gederothaim; veertien steden en haar dorpen.
37Zenan, en Hadasa, en Migdal-gad,
38En Dilan, en Mizpa, en Jokteel,
44En Kehila, en Achzib, en Mareza; negen steden en haar dorpen.
1Het geschiedde nu, als David en zijn mannen den derden dag te Ziklag kwamen, dat de Amalekieten in het zuiden en te Ziklag ingevallen waren, en Ziklag geslagen, en dezelve met vuur verbrand hadden;
27Namelijk tot die te Beth-El, en tot die te Ramoth tegen het zuiden, en tot die te Jather,
28En tot die te Aroer, en tot die te Sifmoth, en tot die te Esthemoa,
1Dezen nu zijn het, die tot David kwamen naar Ziklag, toen hij nog besloten was voor het aangezicht van Saul, den zoon van Kis; zij waren ook onder de helden, die tot dien krijg hielpen.
23En Kedes, en Hazor, en Jithnan,
24Zif, en Telem, en Bealoth,
37En Gedor, en Ahio, en Zacharja, en Mikloth.
58Halhul, Beth-Zur, en Gedor,
59En Maarath, en Beth-Anoth, en Eltekon; zes steden en haar dorpen.
18En Jahza, en Kedemoth, en Mefaath,
19En Kirjathaim, en Sibma, en Zeret-Hassahar op den berg des dals,
41En Gederoth, Beth-Dagon, en Naama, en Makkeda; zestien steden en haar dorpen.
34Hadid, Zeboim, Neballat,
31En tot die te Hebron, en tot al de plaatsen, waar David gewandeld had, hij en zijn mannen.
31En Gedor, en Ahio, en Zecher.
1Voorts geschiedde het na Sauls dood, als David van den slag der Amalekieten was wedergekomen, en David twee dagen te Ziklag gebleven was;
22En Beth-araba, en Zemaraim, en Beth-El,
28En zij woonden te Ber-seba, en te Molada, en te Hazar-Sual,
26En Mizpa, en Chefira, en Moza,
18Daartoe waren de Filistijnen in de steden der laagte en het zuiden van Juda ingevallen, en hadden ingenomen Beth-Semes, en Ajalon, en Gederoth, en Socho en haar onderhorige plaatsen, en Timna en haar onderhorige plaatsen, en Gimzo en haar onderhorige plaatsen; en zij woonden aldaar.
20Toen hij naar Ziklag toog, vielen tot hem uit Manasse: Adnah, en Jozabad, en Jediael, en Michael, en Jozabad, en Elihu, en Zillethai; hoofden der duizenden, die in Manasse waren.
48Op het gebergte nu: Samir, en Jatthir, en Socho,
15En Kattath, en Nahalal, en Simron, en Jidala, en Bethlehem; twaalf steden en haar dorpen.