Nehemia 7:57
De kinderen der knechten van Salomo; de kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Perida;
De kinderen der knechten van Salomo; de kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Perida;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
53De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;
54De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa.
55De kinderen der knechten van Salomo. De kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Peruda;
56De kinderen van Jaala, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel;
57De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pocheret-Hazebaim, de kinderen van Ami.
58Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.
59Dezen togen ook op van Tel-melah, Tel-harsa, Cherub, Addan en Immer; doch zij konden hunner vaderen huis en hun zaad niet bewijzen, of zij uit Israel waren.
45De poortiers: de kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai, honderd acht en dertig;
46De Nethinim: de kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;
47De kinderen van Keros, de kinderen van Sia, de kinderen van Padon;
58De kinderen van Jaela, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel;
59De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochereth van Zebaim, de kinderen van Amon;
60Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.
61Ook togen dezen op van Thel-melah, Thel-harsa, Cherub, Addon en Immer; maar zij konden hunner vaderen huis, en hun zaad niet tonen, of zij uit Israel waren;
62De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en veertig.
49De kinderen van Hanan, de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar;
50De kinderen van Reaja, de kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda;
51De kinderen van Gazzam, de kinderen van Uzza, de kinderen van Paseah;
52De kinderen van Bezai, de kinderen van Meunim, de kinderen van Nefussim;
53De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;
54De kinderen van Bazlith, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;
55De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;
56De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa;
44De kinderen van Keros, de kinderen van Siaha, de kinderen van Padon;
7Dewelke kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azaria, Raamja, Nahamani, Mordechai, Bilsan, Mispereth, Bigvai, Nehim en Baena. Dit is het getal der mannen van het volk van Israel.
8De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig;
9De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig;
10De kinderen van Arach, zeshonderd twee en vijftig;
36De kinderen van Zofah waren Suah, en Harnefer, en Sual, en Beri, en Jimra,
37Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beera.
38De kinderen van Jether nu waren Jefunne, en Pispa, en Ara.
37De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd een en twintig;
38De kinderen van Senaa, drie duizend, negenhonderd en dertig;
1Na deze geschiedenissen nu, in het koninkrijk van Arthahsasta, koning van Perzie: Ezra, de zoon van Seraja, den zoon van Azarja, den zoon van Hilkia,
3De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig.
4De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig.
47De kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar, de kinderen van Reaja;
10De kinderen van Jediael nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeus en Benjamin, en Ehud, en Chenaana, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar.
12Daartoe Suppim en Huppim waren kinderen van Ir, en Husim, kinderen van Aher.
3En dit zijn de hoofden van het landschap, die te Jeruzalem woonden; (maar in de steden van Juda woonden, een iegelijk op zijn bezitting, in hun steden, Israel, de priesters, en de Levieten, en de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo).
4Te Jeruzalem dan woonden sommigen van de kinderen van Juda, en van de kinderen van Benjamin. Van de kinderen van Juda: Athaja, de zoon van Uzzia, den zoon van Zacharja, den zoon van Amarja, den zoon van Sefatja, den zoon van Mahalaleel, van de kinderen van Perez;
18De kinderen van Adonikam, zeshonderd zeven en zestig;
19De kinderen van Bigvai, twee duizend, zeven en zestig;
30De kinderen van Aser waren Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Beria, en Sera, hunlieder zuster.
7En dit zijn de kinderen van Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, den zoon van Joed, den zoon van Pedaja, den zoon van Kolaja, den zoon van Maaseja, den zoon van Ithiel, den zoon van Jesaja;
41De kinderen van Pashur, duizend, tweehonderd zeven en veertig;
13De kinderen van Zatthu, achthonderd vijf en veertig;
5En Jibchar, en Elisua, en Elpelet,
3Den zoon van Amarja, den zoon van Azarja, den zoon van Merajoth,