Ezra 2:28

Statenvertaling (States Bible)

De mannen van Beth-El en Ai, tweehonderd drie en twintig.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Gen 12:8 : 8 En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-El, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-El tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde aldaar den HEERE een altaar, en riep den naam des HEEREN aan.
  • Joz 7:2 : 2 Als Jozua mannen zond van Jericho naar Ai, dat bij Beth-Aven ligt, aan het oosten van Beth-El, zo sprak hij tot hen, zeggende: Trekt opwaarts en bespiedt het land. Die mannen nu trokken op en bespiedden Ai.
  • Joz 8:9 : 9 Alzo zond Jozua hen heen, en zij gingen naar de achterlage, en zij bleven tussen Beth-El en tussen Ai, tegen het westen van Ai; maar Jozua overnachtte dien nacht in het midden des volks.
  • Joz 8:17 : 17 En er werd niet een man overgelaten, in Ai, noch Beth-El, die niet uittrokken, Israel na; en zij lieten de stad openstaan, en joegen Israel achterna.
  • Neh 7:33 : 33 De mannen van het andere Nebo, twee en vijftig;

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Neh 7:30-33
    4 verzen
    92%

    30De mannen van Rama en Gaba, zeshonderd en twintig;

    31De mannen van Michmas, honderd twee en twintig;

    32De mannen van Beth-El en Ai, honderd drie en twintig;

    33De mannen van het andere Nebo, twee en vijftig;

  • Ezra 2:21-27
    7 verzen
    83%

    21De kinderen van Bethlehem, honderd drie en twintig.

    22De mannen van Netofa, zes en vijftig.

    23De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig.

    24De kinderen van Azmaveth, twee en veertig.

    25De kinderen van Kirjath-Arim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig.

    26De kinderen van Rama en Gaba, zeshonderd een en twintig.

    27De mannen van Michmas, honderd twee en twintig.

  • Ezra 2:10-17
    8 verzen
    80%

    10De kinderen van Bani, zeshonderd twee en veertig.

    11De kinderen van Bebai, zeshonderd drie en twintig.

    12De kinderen van Azgad, duizend tweehonderd twee en twintig.

    13De kinderen van Adonikam, zeshonderd zes en zestig.

    14De kinderen van Bigvai, twee duizend zes en vijftig.

    15De kinderen van Adin, vierhonderd vier en vijftig.

    16De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig.

    17De kinderen van Bezai, driehonderd drie en twintig.

  • Neh 7:26-28
    3 verzen
    78%

    26De mannen van Bethlehem en Netofa, honderd acht en tachtig;

    27De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig;

    28De mannen van Beth-Azmaveth, twee en veertig;

  • 29De kinderen van Nebo, twee en vijftig.

  • Neh 7:22-23
    2 verzen
    75%

    22De kinderen van Hassum, driehonderd acht en twintig;

    23De kinderen van Bezai, driehonderd vier en twintig;

  • 21Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en dertig duizend en tweehonderd.

  • 19De kinderen van Hasum, tweehonderd drie en twintig.

  • Ezra 2:6-7
    2 verzen
    73%

    6De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua-Joab, twee duizend achthonderd en twaalf.

    7De kinderen van Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.

  • Neh 7:16-17
    2 verzen
    73%

    16De kinderen van Bebai, zeshonderd acht en twintig;

    17De kinderen van Azgad, twee duizend, driehonderd twee en twintig;

  • Ezra 2:31-34
    4 verzen
    73%

    31De kinderen van den anderen Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.

    32De kinderen van Harim, driehonderd en twintig.

    33De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd vijf en twintig.

    34De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig.

  • Ezra 2:2-4
    3 verzen
    73%

    2Dewelken kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Seraja, Reelaja, Mordechai, Bilsan, Mizpar, Bigvai, Rehum en Baena. Dit is het getal der mannen des volks van Israel.

    3De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig.

    4De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig.

  • 9Dezen nu in geslachtsregisters gesteld zijnde, naar hun geslachten, hoofden der huizen hunner vaderen, kloeke helden, waren twintig duizend en tweehonderd.

  • 15Toen telde hij de jongens van de oversten der landschappen, en zij waren tweehonderd twee en dertig; en na hen telde hij al het volk, al de kinderen Israels, zeven duizend.

  • 23Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en dertig duizend en vierhonderd.

  • 58Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.

  • 20En van Nethinim, die David en de vorsten ten dienste der Levieten gegeven hadden, tweehonderd en twintig Nethinim, die allen bij namen genoemd werden.

  • 35Waren hun getelden van den stam van Manasse twee en dertig duizend en tweehonderd.

  • 21Toen togen de kinderen van Benjamin uit van Gibea, en zij vernielden ter aarde op dien dag van Israel twee en twintig duizend man.

  • 22En Beth-araba, en Zemaraim, en Beth-El,

  • 2Als Jozua mannen zond van Jericho naar Ai, dat bij Beth-Aven ligt, aan het oosten van Beth-El, zo sprak hij tot hen, zeggende: Trekt opwaarts en bespiedt het land. Die mannen nu trokken op en bespiedden Ai.

  • 4Alzo trokken derwaarts op van het volk omtrent drie duizend man; dewelke vloden voor het aangezicht der mannen van Ai.

  • 12De kinderen van Elam, duizend, tweehonderd vier en vijftig;

  • 26Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en zestig duizend en zevenhonderd.