Ezra 2:27
De mannen van Michmas, honderd twee en twintig.
De mannen van Michmas, honderd twee en twintig.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
30De mannen van Rama en Gaba, zeshonderd en twintig;
31De mannen van Michmas, honderd twee en twintig;
32De mannen van Beth-El en Ai, honderd drie en twintig;
33De mannen van het andere Nebo, twee en vijftig;
28De mannen van Beth-El en Ai, tweehonderd drie en twintig.
29De kinderen van Nebo, twee en vijftig.
30De kinderen van Magbis, honderd zes en vijftig.
31De kinderen van den anderen Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.
32De kinderen van Harim, driehonderd en twintig.
21De kinderen van Bethlehem, honderd drie en twintig.
22De mannen van Netofa, zes en vijftig.
23De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig.
24De kinderen van Azmaveth, twee en veertig.
26De kinderen van Rama en Gaba, zeshonderd een en twintig.
26De mannen van Bethlehem en Netofa, honderd acht en tachtig;
27De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig;
28De mannen van Beth-Azmaveth, twee en veertig;
9De kinderen van Zakkai, zevenhonderd zestig.
10De kinderen van Bani, zeshonderd twee en veertig.
11De kinderen van Bebai, zeshonderd drie en twintig.
12De kinderen van Azgad, duizend tweehonderd twee en twintig.
13De kinderen van Adonikam, zeshonderd zes en zestig.
14De kinderen van Bigvai, twee duizend zes en vijftig.
2Dewelken kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Seraja, Reelaja, Mordechai, Bilsan, Mizpar, Bigvai, Rehum en Baena. Dit is het getal der mannen des volks van Israel.
3De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig.
4De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig.
40De Levieten. De kinderen van Jesua en Kadmiel, van de kinderen van Hodavja, vier en zeventig.
41De zangers. De kinderen van Asaf honderd acht en twintig.
42De kinderen der poortiers. De kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai; deze allen waren honderd negen en dertig.
37De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig.
16De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig.
17De kinderen van Bezai, driehonderd drie en twintig.
18De kinderen van Jora, honderd en twaalf.
19De kinderen van Hasum, tweehonderd drie en twintig.
58Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.
14En hun broederen, dappere helden, waren honderd acht en twintig; en opziener over hen was Zabdiel, de zoon van Gedolim.
35Waren hun getelden van den stam van Manasse twee en dertig duizend en tweehonderd.
21Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en dertig duizend en tweehonderd.
9Dezen nu in geslachtsregisters gesteld zijnde, naar hun geslachten, hoofden der huizen hunner vaderen, kloeke helden, waren twintig duizend en tweehonderd.
7Dewelke kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azaria, Raamja, Nahamani, Mordechai, Bilsan, Mispereth, Bigvai, Nehim en Baena. Dit is het getal der mannen van het volk van Israel.
8De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig;
6De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua-Joab, twee duizend achthonderd en twaalf.
7De kinderen van Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.
17De kinderen van Azgad, twee duizend, driehonderd twee en twintig;
20En van Nethinim, die David en de vorsten ten dienste der Levieten gegeven hadden, tweehonderd en twintig Nethinim, die allen bij namen genoemd werden.
22De kinderen van Hassum, driehonderd acht en twintig;
64Deze ganse gemeente te zamen was twee en veertig duizend driehonderd en zestig.
19En de poortiers: Akkub, Talmon, met hun broederen, die wacht hielden in de poorten, waren honderd twee en zeventig.
60De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en vijftig.
12Het gehele getal van de hoofden der vaderen, der strijdbare helden, was twee duizend en zeshonderd.