Nehemia 7:22
De kinderen van Hassum, driehonderd acht en twintig;
De kinderen van Hassum, driehonderd acht en twintig;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
19De kinderen van Hasum, tweehonderd drie en twintig.
23De kinderen van Bezai, driehonderd vier en twintig;
24De kinderen van Harif, honderd en twaalf;
16De kinderen van Bebai, zeshonderd acht en twintig;
17De kinderen van Azgad, twee duizend, driehonderd twee en twintig;
18De kinderen van Adonikam, zeshonderd zeven en zestig;
19De kinderen van Bigvai, twee duizend, zeven en zestig;
7Dewelke kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azaria, Raamja, Nahamani, Mordechai, Bilsan, Mispereth, Bigvai, Nehim en Baena. Dit is het getal der mannen van het volk van Israel.
8De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig;
9De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig;
21De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig;
16De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig.
17De kinderen van Bezai, driehonderd drie en twintig.
3De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig.
4De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig.
5De kinderen van Arach, zevenhonderd vijf en zeventig.
6De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua-Joab, twee duizend achthonderd en twaalf.
7De kinderen van Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.
8De kinderen van Zatthu, negenhonderd zestig.
9De kinderen van Zakkai, zevenhonderd zestig.
32De kinderen van Harim, driehonderd en twintig.
33De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd vijf en twintig.
34De kinderen des anderen Elams, duizend, tweehonderd vier en vijftig;
35De kinderen van Harim, driehonderd en twintig;
11De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua en Joab, twee duizend, achthonderd en achttien;
12De kinderen van Elam, duizend, tweehonderd vier en vijftig;
13De kinderen van Zatthu, achthonderd vijf en veertig;
14De kinderen van Zakkai, zevenhonderd en zestig;
11De kinderen van Bebai, zeshonderd drie en twintig.
12De kinderen van Azgad, duizend tweehonderd twee en twintig.
45De poortiers: de kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai, honderd acht en dertig;
46De Nethinim: de kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;
37De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd een en twintig;
38De kinderen van Senaa, drie duizend, negenhonderd en dertig;
59De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochereth van Zebaim, de kinderen van Amon;
60Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.
54De kinderen van Bazlith, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;
62De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en veertig.
49De kinderen van Hanan, de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar;
5Van de kinderen van Sechanja, de zoon van Jahaziel; en met hem driehonderd manspersonen.
27De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig;
28De mannen van Beth-Azmaveth, twee en veertig;
42De kinderen van Harim, duizend en zeventien;
38De kinderen van Pashur, duizend tweehonderd zeven en veertig.
19En Hasabja, en met hem Jesaja, van de kinderen van Merari, met zijn broederen, en hun zonen, twintig;
22De kinderen nu van Sechanja waren Semaja; en de kinderen van Semaja waren Hattus, en Jigeal, en Bariah, en Nearja, en Safat; zes.
58Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.
52De kinderen van Bazluth, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;
32De mannen van Beth-El en Ai, honderd drie en twintig;
52De kinderen van Bezai, de kinderen van Meunim, de kinderen van Nefussim;